Nederland

Het laatste, zomerse, weekeinde bezocht ik met drie vrienden een van die Waddeneilanden, bekend van bolderkarren, tandems en bruine hotel/restaurants uit de jaren twintig, waar jonge advocaten met dubbele voornamen hun vakantie en ook hun niet-vakantie doorbrengen.

Veel van de plaatsen waar de boot vertrekt zijn geen dorpen, maar parkeerplaatsen. Je moet er betalen, hoewel er altijd een zeven-serie BMW met donkere ruiten en een Mercedes op de stoep net buiten de slagboom staan, het hele weekeinde onbekeurd. Omdat mensen dus letterlijk geen stap verder willen lopen op een parkeerplaats dan strikt noodzakelijk - hoewel ze op die eilanden wel autoloos rondwandelen - zie je dat vlak bij het hek allerlei auto's dwars en buiten de parkeervakken staan, zodat de anderen er slechts met moeite langs kunnen hoewel er 30 meter verderop veel plaats is.

Bij de boot staat een grote kar achter een tractor, waarop men, op drie verdiepingen van een halve meter hoog, bagage kan plaatsen. Bordjes en folders, in krom Nederlands gesteld, wijzen erop dat de meeuwen niet gevoerd mogen worden (voederen lijkt een beter woord) zulks ' in verband met de uitwerpselen, want oudere mensen willen ook graag zitten'.

Wie denkt dat dergelijke eilanden volledig autoloos zijn heeft het mis: het enige eiland dat echt autoloos is, is Pampus, de rest heeft taxi's, notabelen, vracht- en busdiensten. Wij werden afgehaald door een zwarte auto met koetswerk uit Haarlem, en met een flink gat in de bagageruimte, gelukkig kleiner dan een koffer. Het hotel zag eruit zoals verwacht. Grote gelagkamer, grote trap, grote eetzaal en grote kamers. Er is en was nog ruimte op de eilanden. Hoewel ik niets dan goeds over de leiding, de inrichting en het eten te melden heb, bekroop me toch het gevoel dat enkele obers gesjeesde studenten waren, gehoord de 'lollige' antwoorden die ze overal op gaven en die verrieden dat ze de advocaten met de dubbele voornamen als au pair beschouwden, slechts bij toeval aan de betalende kant van de rekening. De gerant/eigenaar had zichzelf na te veel bezoek van de haute volee voorzien van een droog-komische oogopslag achter een halve bril. Hij sprak uitsluitend in gortdroge, gemummelde zinnetjes en zijn uiterlijk verried dat er voor zijn net gedragen herenkostuum geen stomerij voorhanden was op het eiland. Het vasteland bezocht hij kennelijk nooit.

Toen wij op zaterdagochtend om half tien op het strand verschenen zagen wij er helemaal niemand en toen we tegen half elf weer terugliepen deed slechts een krantenman de ronde door de slapende wijk. Wel zagen we onderweg vier konijnen, twee dode en twee levende en in de lucht en op de grond veel ganzen, op doorreis uit het noorden. Geen wolkje aan de strak blauwe lucht, temperatuur twintig graden. Waar waren de badgasten?

Omdat er daarna geen bed meer te krijgen was vertrokken we 'smiddags weer met de boot en reden door de noordelijke provincies naar een plaatsje in de buurt van Zutphen, onderweg talloze prachtige en onbekende heuvelruggen en bossen passerend, gevuld met interessante familiehotels voorzien van een naam in dialect, waarin het woord huis meestal hoes of huus werd en het woord oude altijd olde.

Ons eigen hotel zag er in de folder indrukwekkend uit: men had een foto uit de tuin aan de overkant van de weg genomen, waardoor de trap naar de weg er uitzag als het bordes en de grote weg ertussen als de stoep. Heel ingenieus en niets gejokt. Het had een grote leestafel, waar zelfs deze krant lag, maar toen ik even mijn stukje wilde nalezen kwam de eigenaar, die ons al allemaal door een luikje waarachter hij ons inschreef een hand gegeven had, gezellig naast me zitten om wat te babbelen. Verderop aan de leestafel zat een zware man met een borrelglaasje voor zich waaruit een lepeltje stak. Als de eigenaar even wegging om iets in te schenken, zette hij het gesprek voort.

Toen mijn vrienden aan tafel verschenen werd er even doorgepraat over de buurt, waarbij de gezette man zeer schrok dat iemand dacht dat het hier nog Overijssel heette, maar het gesprek vlotte goed toen Sander een advocaat kende die in de buurt woonde. Dat schiep meteen een band, hoewel het onderwerp verleden jaar gestorven was. Zijn vrouw, vertelde Sander verder, was zes jaar geleden omgekomen toen een streekbus, door de laagstaande zon verblind, door rood reed en haar auto binnen. De zware man sloeg de hand voor de mond. ' Nee toch?' Hoofdschuddend nipte hij daarna aan zijn jenever-met-suiker, ontzet over de dood zes jaar geleden van iemand die hij niet kende. Ja, het verkeer dat weet wat.

Op zondagmorgen vroeg arriveerden we in Hoenderloo, bij het nationaal park de Hoge Veluwe (niet te verwarren met het nationaal park De Veluwe, ernaast). Toegang 31 gulden voor een auto met vier volwassenen.

Bij de Koperen Kop stonden 400 witte fietsen gereed (krijgt Luud Schimmelpenninck daar eigenlijk nog royalties over?) van het merk Union en Batavus. Zadels en sturen zijn (meestal) verstelbaar en ze hangen over het algemeen twee aan twee aan vernunftige hangers die het zadel beschutten tegen regen. Het hele park is goed ingericht, onderhouden en van keurige tweepersoonsfietspaden voorzien. De organisatie klopt, want na de aanvankelijke toegangsprijs is toegang tot alle evenementen en het meenemen van de witte fietsen gratis. Na 31 oktober wordt het aantal fietsen voor het winterseizoen teruggebracht tot 50.

Wij fietsten de allerlangste route mogelijk, meer dan 35 kilometer, en bezochten zelfs het afzichtelijke Jachtslot Sint Hubertus. Na een bezoek aan het museum bleken onze fietsen, niettegenstaande een bordje waarop stond dat diegenen die zonder fiets waren gekomen deze ook niet mee moesten nemen, weg, maar een aardig echtpaar bood aan de rest te wandelen en we vonden nog twee witte fietsen zonder slot.

Op de hei vroegen twee fietsende jongetjes ons of we nog grof wild hadden gezien. Neen.

Terug bij de Koperen Kop, wat mij betreft beter de Blikken Bil te noemen, bleek dat men niet op de overvloed van auto's gerekend had: de aanvoerwegen stonden overvol met geparkeerde auto's. Toch is een dergelijk tochtje in eigen land een belevenis en u zult merken dat u bij alle plekken die u bezoekt ook gelijkgestemde mensen ontmoet. Alleen al de manier waarop men in het Bezoekerscentrum en de Groene Winkel te woord wordt gestaan is een omweg waard. Gauw maar eens doen, zoals we altijd zeggen.