MISLUKTE ZENDING IN SURINAME

In december 1765 varen twee zendelingen behorend tot het ambitieuze genootschap van de Duitse Herrnhutters, de rivier de Saramaka op. Hun reisdoel is een aantal nederzettingen van marrons: weggelopen slaven en hun afstammelingen, die na langdurige guerrilla-oorlogen in het Surinaamse oerwoud door het koloniale gezag zijn erkend als vrije gemeenschappen. De autoriteiten in Paramaribo hebben kort tevoren, in 1762, de vrede met de nu 'bevredigde bosnegers' getekend. Volgens Price redde deze 'bevrediging' de plantagemaatschappij Suriname van de ondergang. Het bestaan van vrije marronvolkeren zal echter tot de afschaffing van de slavernij in 1863 een lonkend perspectief voor de plantageslaven blijven.

Het koloniale gezag moedigde de zending onder de marrons aan met het oog op verdere pacificatie. Voor de Herrnhutters stond de verspreiding van hun ware geloof weliswaar op de eerste plaats, maar hun leer predikte tevens acceptatie van de bestaande orde. Eenmaal onder de Surinaamse marrons werden de Hernnhutters, zoals een van hen wanhopig vaststelde, geconfronteerd met 'een voorproefje van wat de hel moest zijn'. Hun zendingspogingen hadden weinig succes. De ene na de andere zendeling stierf in kommervolle omstandigheden, slechts getroost door een onwrikbaar geloof in zijn of haar God. Toen in 1813 de zendingspost in het gebied werd opgegeven was het aantal bekeerlingen nog steeds miniem. In de latere geschiedenis van de Saramakaners speelt het christendom een bescheiden rol. De culturele resistentie van de marrons is veel sterker gebleken dan die van de afstammelingen van de in 1863 'vrijgemaakte' slaven.

DE BEKERING VAN ALABI

Het enige grote succes van de zendelingen is de bekering van Alabi. In 1771, op 26-jarige leeftijd, wordt deze Saramakaner gedoopt. Hij is dan al voorbestemd om gaanma, hoofdman van alle Saramakaners te worden; een functie die hij in 1783 aanvaardt en gedurende 37 jaren, tot zijn dood in 1820, zal bekleden. Vergeefs zal hij in deze lange periode zijn ziel leggen in de bekering van zijn stamgenoten, die hij ziet als slaven van de duivel.

Het draait in Alabi's World ogenschijnlijk om de bekering van Alabi. Tegelijk illustreert diens geisoleerde positie juist de mislukking van het zendingswerk Herrnhutters. Met Alabi's overlijden komt er een einde aan een episode in de Saramakaanse geschiedenis die had kunnen uitlopen op een volkomen bekering en verwesterlijking - of, vanuit Saramakaans perspectief, op een desastreuze ontworteling. Met Alabi wordt het christendom echter ten grave gedragen.

De Amerikaanse antropoloog Richard Price probeert een beeld te geven van een ontmoeting tussen diverse culturen. In directe zin betreft dat de cultuur van de Saramakaners en de Herrnhutters. Price typeert hun contacten als een proces van 'negotiation of meaning'; op het fysieke contact volgt het aftasten. De kloof tussen Saramakaners en Herrnhutters wordt, tot wanhoop van de laatsten, niet overbrugd. Als de Saramakaners al bereid zijn iets van de Herrnhutters over te nemen, dan, afgezien van het verwerven van praktische vaardigheden als lezen en schrijven, toch vooral als een toevoeging van de eigen religie en rituelen. Pas veel later, merkt Price op, kwamen de Herrnhutters tot het besef dat ' het voornaamste probleem voor een Saramaka die christen wordt de vraag is hoe hij Saramaka kan blijven'.

BETOGEN

Herrnhutters en Saramakaners hadden een eigen perspectief op Alabi's wereld. Het boek brengt ook andere visies voor het voetlicht: die van het koloniale gezag, die van hedendaagse Saramakaners, en niet in de laatste plaats die van Price zelf. Alabi's World bevat meerdere betogen: typografisch hebben de geschriften en stemmen van de zendelingen, de koloniale autoriteiten, de hedendaagse Saramakaners, en Price zelf ieder een eigen lettertype gekregen. Price's tekst, ondersteund door een uitvoerig notenapparaat, structureert het veelstemmige relaas.

De flaptekst gewaagt van 'expanding the possibilities of historical writing', de uitgever rept zelfs van 'redefining (etc.)'. Zeker dat laatste klinkt mij - om nog maar eens een cultuurkloofje op te roepen wel erg Amerikaans in de oren. Feit is echter dat Price met Alabi's World een bijzonder origineel en meeslepend boek heeft geschreven. Met zijn echtgenote Sally Price bracht hij jaren door bij de Saramakaners hetgeen resulteerde in een aantal antropologische standaardwerken. In Alabi's World verbindt Price als 'a self-styled ethnographic historian' deze antropologische kennis met tradito-neler historisch onderzoek. Het resultaat is een uiternate evocatief relaas, dat regelmatig de illusie wekt dat we deze geschiedenis lezen 'zoals die werkelijk is gebeurd'. Zo worden hedendaagse marronliederen (tekst en muziek) over besproken gebeurtenissen afgedrukt, geeft Price, als er sprake is van 18de-eeuwse rituelen en feesten nauwkeurig weer hoe dit in de 20ste-eeuwse marronwereld te werk gaat, etc.

Toch zal Price's benadering bij de gemiddelde historicus vaak vragen oproepen. Zo heeft het voor mij iets gezochts wanneer een 'blanke' wetenschapper archiefmateriaal herhaaldelijk aanduidt als 'whitefolks' documents'. En waarom moet de faction zo ver gaan dat rouwenden om een overledene worden geportretteerd als 'wet-eyed, reminiscing'? Welke bron beweert dat, tijdens een rouwritueel, sommige oude vrouwen het feestmaal pas voltooiden na een 'few short hours of sleep'? Flauwe vragen misschien, over een tekst die tientallen van dergelijke passages biedt. Traditionele historici zullen ze zeker stellen.

Belangrijker lijkt mij zelf de vraag in hoeverre het gebruik van hedendaagse overlevering en gebruiken van de Saramakaners methodologisch te verdedigen valt. Het terugprojecteren van kennis aangaande de twintigste-eeuwse marroncultuur naar achttiende eeuwse situaties kan tot anachronismen leiden. Ook kan ten onrechte de indruk rijzen dat deze Saramakaanse cultuur een statisch karakter heeft. Price is zich uiteraard van deze gevaren bewust, en gaat hierop expliciet in. De lezer resteert echter het ongemakkelijke gevoel dat hij zich volledig moet overgeven aan 's auteurs onderscheidingsvermogen.

Alabi's World roept meer vragen op. Het beeld van het koloniale Suriname ('berucht om de weelde waarin de planters baadden, hun wreedheid en de diepte van de ellende waarin de slaven verkeerden') is m.i. cliche-matig. Ook is het op zijn minst opmerkelijk dat de christelijke Alabi 37 jaar gaanma van alle Saramakaners kon zijn, terwijl deze volgens Price toch in grote meerderheid afwijzend reageerden op het nieuwe geloof; daar had ik graag meer over gelezen.

Deze kanttekeningen nemen echter niet weg dat Alabi's World een uniek portret geeft van een historische episode, een Afro-Amerikaanse cultuur, en een proces van 'negotiation of meaning' tussen culturen die niet in elkaars taal en beelden spreken.

Het huidige beeld van Suriname wordt beheerst door guerrilla, economische, sociale en politieke malaise. Wetenschappelijk heeft dit vooralsnog geen 'mooie' studies opgeleverd. En zo moeten wij nu vaststellen dat de belangrijkste studies die de laatste jaren verschenen over Suriname historische studies waren over de wereld van de marrons, en geschreven door antropologen die werkelijk de kloof tussen antropologie en geschiedschrijving weten te overbruggen. (Zie, behalve het werk van Richard en Sally Price, ook het recente magnum opus van de Nederlandse antropologen H. U. E. Thoden van Velzen en W. van Wetering, The Great Father and the Danger. Religious cults, material forces, and collective fantasies in the world of the Surinamese Maroons, 1988.) In deze traditie is Alabi's World een nieuw hoogtepunt. Inmiddels wordt, moeten we vrezen, de marroncultuur verder teniet gedaan.