K. J. Citron nieuwe Duitse ambassadeur in Den Haag; 'Mooi aan Europa is nu juist dat we dicht bij elkaar leven'

BONN, 20 okt. Klaus Jurgen Citron, de aanstaande Duitse ambassadeur in Den Haag, is op weg naar een onbekend avontuur. Eind deze maand moet dat beginnen, half november hoopt hij de Koningin zijn geloofsbrieven te kunnen overhandigen.

De nieuwe ambassadeur is een kleine ernstige man die met zachte stem vragen beantwoordt in zijn ruime directeurskamer in het Auswartiges Amt. Nee, zegt hij, hij kent Nederland niet zo goed, dat moet nog komen. Hij is er wel eens met vakantie geweest en hij heeft het af en toe met collega's bezocht in zijn jaren bij de Duitse permanente Navo-vertegenwoordiging in Brussel (1974-1977). Aan een studie Nederlands 'ik kan het al aardig verstaan' is hij inmiddels begonnen. En daarmee aan een verdere verbreding van zijn talenpakket, want naast zijn moedertaal spreekt hij al vloeiend Engels, Frans en Zweeds.

Het is een publiek geheim dat Citron afgelopen zomer wel even heeft moeten nadenken of hij ambassadeur in Den Haag zou worden. Die aarzeling was niet onbegrijpelijk gezien zijn leeftijd, zijn huidige hoge ambtelijke functie en de weerbarstigheid van de post in Den Haag.

De eerste vraag ligt daarom voor de hand. Wat beweegt iemand die sinds 1988 chef van de directie plannen is op het departement van minister Hans-Dietrich Genscher eigenlijk om op zijn 61ste nog ambassadeur in Nederland te worden? Ambassadeur in een land dus waarmee weliswaar nauwelijks diplomatieke problemen bestaan, maar waar een Duitse ambassadeur toch steeds op zijn qui vive moet zijn? En waar zijn publicitair vaardige voorganger, de naar Israel vertrokken Otto von der Gablentz, het zo goed deed, dat een opvolger het ook daarom al bij voorbaat moeilijk lijkt te krijgen?

'Ja, waarom? Mijn minister stelde het aan me voor en ik vond het al met al een mooie uitdaging. Een ambassadeurspost in Nederland betekent werken in een buurland dat zwaar onder zijn grote Duitse buurman geleden heeft. Weet u, ik behoor tot tot de na-oorlogse Duitse generatie die, sinds zij in 1948 weer naar het buitenland mocht reizen, overal kon merken hoe belangrijk het voor Duitsers is om uitleg te geven en begrip ('Verstandnis') te vragen.

'Ik heb in die tijd ook in Sleeswijk-Holstein 'Bundische Jugendgruppen' helpen oprichten. Dat waren jongerengroepen die, soms liftend, door Europa trokken en Europese liederen zongen, vrijheidsliederen uit Nederland, Spanje, Rusland.' Citron 'wij wilden Europa ontdekken' herinnert zich 'Berg op Zoom, houdt u vroom' en knikt instemmend als ik 'stut de Spaanse scharen' aanvul.

'Ik heb in de vroege jaren vijftig in Frankrijk gestudeerd (romaanse talen in Parijs en Lyon) en ben, ook weer vaak liftend, door het land getrokken. En overal waar je kwam moest je uitleggen hoe het in Duitsland zo had kunnen gaan, wat de toekomst zou kunnen brengen. Daarna was ik een jaar lector in Parijs (Duitse taal en letterkunde aan de Grande Ecole Centrale in Parijs) en drie jaar lector aan de universiteit van Bologna. Ook daar was de voortdurend terugkerende vraag: wat willen de Duitsers vandaag? Die zorgen zijn er nog steeds. Het is zoals een Franse verzetsman het na de oorlog zei: als de Duitsers niet vergeten, kunnen wij misschien vergeven.'

Dr. Citron mag wat zijn diplomatieke loopbaan betreft een late roeping heten. Hij werd in 1929 in Berlijn geboren, waar hij in het laatste jaar van de oorlog als zestienjarige 'lichamelijk te zwak' bleek om nog als 'Flak-Helfer' (assistent-luchtafweerschutter) in dienst te worden gehaald, zoals zijn huidige minister Genscher als jongeman in Halle wel overkwam. In 1945 vluchtte het gezin-Citron naar Sleeswijk-Holstein, waar de jonge Klaus Jurgen Duits ging studeren aan de universiteit van Kiel.

Pas in 1959, na zijn Franse en Italiaanse jaren, besloot hij zich in het 'opleidingsklasje' van het Westduitse ministerie van buitenlandse zaken tot diplomaat te laten opleiden. Otto von der Gablentz, met wie hij sindsdien bevriend is, was een van zijn klasgenoten. Citron zegt bescheiden: 'Hij heeft me de afgelopen maanden erg aangemoedigd om de stap naar Den Haag te wagen, ik weet nu al dat ik het er niet zo goed zal doen als hij'.

Citrons eerste diplomatieke post was die van consul-generaal in San Francisco (1962-1966), waar hij veel oude Duitse en Oostenrijkse immigranten ontmoette, veel joodse intellectuelen en kunstenaars die in de jaren dertig voor het Hitler-regime waren gevlucht. 'Dat waren mensen die het oude tolerante Duitsland nog hadden meegemaakt, dat was een geweldige ervaring voor me. Het contact met de Amerikanen, die ons wantrouwden, was veel moeilijker', zegt hij daarover.

Later wordt Citron cultureel attache in New Delhi (1966-1968) en plaatsvervangend ambassadeur in Kuala Lumpur (1968-1972). Zijn leven heeft tot dan, zowel in het onderwijs als in de diplomatie, vooral in het teken van de cultuur gestaan. Volgende posten, op de directie Amerika van het departement (1972-1974, bij de Navo in Brussel (1974-1977) en als ontwapeningsspecialist op het ministerie en bij de ontwapeningsconferentie in Stockholm (EOC, 1984-1988) liggen in een heel andere, 'hardere' sfeer. Ja, het was zo wel een leven tussen 'twee schelven hooi', vindt hij ook. Hij hoopt in Den Haag 'achter de officiele contacten' op veel culturele en sociale ontmoetingen, zegt hij alvast. En hij wil veel doen aan gemeenschappelijk Duits-Nederlands milieubeheer en jeugduitwisseling.

Jeugduitwisseling. Ja, maar wat zijn overigens zijn plannen? Vindt hij niet dat, nu de Duitse eenwording tenminste staatkundig een streep onder de na-oorlogse geschiedenis heeft getrokken, een Duitse ambassadeur in Den Haag 'anders' zou moeten werken, wellicht 'gewoner' ook? Zo men wil: minder onafgebroken omfloerst en met de hoed in de hand langs de vertrouwde symposia en de bijeenkomsten van het Goethe-instituut met hun vaste kringen van gereputeerde Duitsland-sprekers? Valt Citrons komst naar Den Haag niet samen met een cesuur, zal en moet het grotere Duitsland niet steeds vaker naar zijn standpunt voor morgen worden gevraagd?

De schrikvraag-zone blijkt in zicht gekomen, het einde van het interview trouwens ook. De nieuwe ambassadeur zegt nog eens iets over 'niet vergeten' en over 'het een en het ander' dat mogelijk moet zijn. Hij verzekert pas in de Nederlandse praktijk zijn actieplannen te zullen bepalen. En, het klinkt vertrouwd in Genschers ministerie tussen de Adenauer-Allee en de Rijn, hij waarschuwt voor het misverstand dat het nieuwe Duitsland uit zou zijn op meer macht. Dat wil het niet en dat kan ook niet, al was het maar wegens alle gegroeide politieke en economische afhankelijkheden in Europa. 'Het mooie aan Europa is juist dat we vandaag zo dicht bij elkaar leven', zegt hij.