HEIN ROETHOF, BESCHAAFD NON-CONFORMIST

Een autobiografie is een daad van onbescheidenheid, maar dat is de oud-politicus dr. H. Roethof (1921) snel vergeven. Zijn staat van dienst kan het verdragen. Hij schrijft als de oud-journalist die hij is vlot en helder en observeert zichzelf met open oog. Een aantal malen deelt hij de lezer mee iets 'verkeerd te hebben ingeschat', en dat schept vertrouwen.

Roethof zat van 1969 met een korte onderbreking tot 1989 voor de PvdA in de Tweede Kamer. Hij behoorde daar tot de kleine liberale stroming een geestverwant van J. Voogd, A. Vondeling en A. C. Verhoef. ' Ik heb altijd gekozen voor een wetenschappelijke, dat wil zeggen wat geobjectiveerde benadering van de politiek, ' schrijft hij. ' Dat wil zeggen dat men vandaag niet grijs mag noemen wat morgen blauw heet, omdat zulks politiek zoveel beter uit zou komen.' Dat leidde in zijn politieke carriere tot een lange reeks solo-acties: initiatief-wetsontwerpen, afwijkend stemgedrag en ander eigenzinnig politiek optreden.

Eenmaal werd hij afgestraft. In 1982 plaatste het district Utrecht de toen nog onbekende Elske ter Veld boven Roethof op de kandidatenlijst er moesten meer vrouwen in de Kamer. Roethof had vijanden in de vrouwenbeweging gemaakt door zijn strijd tegen overheidsbemoeienis met seksualiteitsvraagstukken. Zo vond hij pornografie een kwestie van vrije meningsuiting, en plannen om verkrachting binnen het huwelijk apart strafbaar te stellen, bestempelde hij als onzin. In 1986 keerde hij terug in de Kamer, om zich na de val van het tweede kabinet Lubbers terug te trekken.

Roethof is humanist, liberaal en jurist. Hij was op volkenrechtelijke gronden al vroeg voor de erkenning van de DDR en de PLO en voor vrijlating van de (toen nog) Drie van Breda. Hij zag niets in het oprakelen van de zaak-Menten en vond dat Aantjes door het kabinet onrechtvaardig werd behandeld niet omdat hij diens gedrag in de oorlog goedkeurde, maar omdat de rechten van Aantjes als beschuldigde met voeten werden getreden.

DOODSTRAF

Hij was het ook die de Grondwet zo wist te wijzigen dat de doodstraf in Nederland niet meer mogelijk is. Halverwege de jaren zeventig kreeg hij samen met de VVD, op zichzelf al een ongehoorde stap, een initiatief-wetsontwerp over abortus provocatus in de Tweede Kamer aanvaard. De Senaat lag echter dwars. Als enige in de gehele Kamer stemde hij tegen een wetswijziging die een verbod op politieke partijen mogelijk moest maken.

Zo zijn er meer voorbeelden te noemen van eigenstandig optreden. ' De humanistische overtuiging is voor mij altijd nauw verbonden geweest met het recht en soms de morele plicht zelfs om dwars te liggen, ' verklaart hij zelf. Humanisme staat voor Roethof gelijk met streven naar vrijheid, gerechtigheid, verdraagzaamheid en eerbied voor de menselijke waardigheid. Het is een 'geloof' zonder absolute waarden of waarheden, maar wel met een waardebesef dat niet zomaar gewijzigd kan worden, meent hij.

Roethof noemt zelf als voorbeeld van de politieke consequenties die hij uit het humanisme trok zijn opstelling tegen de actie van de Fransen en Britten bij het Suezkanaal in 1956. Als voorzitter van de jongerenorganisatie van de VVD moest hij een menigte toespreken die tegen de Russische inval in Hongarije demonstreerde. Hij betoogde dat beide gewapende acties even afkeurenswaardig waren en zei dat de positie van Imre Nagy, de Hongaarse premier die de neutraliteit van Hongarije had willen afkondigen, door de Suez-actie juist was verzwakt. Dat was te ingewikkeld voor het publiek; hij werd uitgefloten en toegeklapt tegelijk. Politiek was het onhandig, maar hij liet zijn moreel-juridische gelijk voorgaan. Zo is het verder gebleven. ' Overal waar onstandigheden groeien waaronder individuele mensen geen 'neen' meer durven te zeggen, ook al zijn hun diepste principes ermee gemoeid, ontkiemt vroeg of laat het zaad van de bevoogding, ' schrijft hij. In deze stijl is het hele boek: verzorgd maar ouderwets.

Roethof beschrijft zichzelf als een 'aarzelend' lid van de VVD. Hij werd er in de naoorlogse jaren lid van, maar toen hem in 1951 het JOVD-voorzitterschap werd aangeboden, weigerde hij aanvankelijk pertinent. Het 'geestelijk klimaat' in de partij stond hem niet aan. De ondertussen dertig-jarige parlementair redacteur van de NRC in Den Haag vond de VVD eenzijdig gericht op de keus tussen grotere vrijheid of meer staatsbemoeiing. De liberale partij was hem te weinig een 'behoedster en verdedigster van humanitaire waarden', en straalde bovendien te weinig sociale bewogenheid uit. Toen de bisschoppen in 1954 per mandement de socialisten in de ban deden, voelde hij zich alleen staan in zijn verdediging van de gewetensvrijheid. Binnen de VVD overheerste naar zijn waarneming een gevoel van tevredenheid dat de socialisten er ook eens uit die hoek van langs kregen.

Toch duurde het nog toch 1963 voor hij opzegde. Aanleiding was de mislukking van het Liberaal Democratisch Centrum, een groep binnen de VVD die zich ten doel stelde Oud te laten opvolgen door Korthals, de toenmalige minister van Verkeer. Het werd echter Toxopeus, en Roethof stelde op een LDC-bijeenkomst voor over te gaan tot de oprichting van een Liberale Volkspartij. Dat wilden zijn geestverwanten echter niet, waarna Roethof de VVD verliet om een jaar later lid van de PvdA te worden.

Zijn bedankje leidde ook tot het einde van zijn journalistieke loopbaan bij de NRC. Hij was daar begin jaren vijftig terecht gekomen net gepromoveerd op een volkenrechtelijk onderwerp en net terug uit Nederlandsch Indie, waar hij als ambtenaar bij de Rijksvoorlichtingsdienst betrokken was geweest bij de tot mislukking gedoemde oprichting van de Verenigde Staten van Indonesie. Journalistieke ervaring had hij opgedaan bij Warta Indonesia, een dagblad uit Batavia, waarvan hij adjunct-hoofdredacteur was. Bij de NRC kreeg hij de portefeuille Overzeese gewesten en zo belandde hij aan de redactie in de Haagse Parkstraat, nog immer het adres van de Haagse redactie van deze krant.

De toenmalige hoofdredacteur Stempels bleek zich 'bovenmatig op te winden' over de beslissing om de VVD te verlaten, schrijft Roethof. Een inmiddels parlementair NRC-redacteur die de VVD verlaat, dat viel niet te rijmen met de vrijzinnige beginselen en de journalistieke formule van de krant.

BZ

Roethof werd weer ambtenaar, nu bij Buitenlandse Zaken in de sector ontwikkelingssamenwerking. Ook daar kreeg hij het op den duur aan de stok met zijn meerderen: hij begon artikelen in het PvdA-blad Socialisme en Democratie te schrijven en hield toespraken voor het Humanistisch Verbond. De toenmalige minister Udink vond dat dit niet kon, althans niet zonder voorinzage. Roethof vond dit op zijn beurt preventieve censuur. Zo zette het patroon zich voort: de politicus Roethof dreef eerst de journalist en daarna de ambtenaar Roethof in het nauw. In 1969 vond hij een uitweg in de Tweede Kamer: hij was op aanraden van Vondeling en Burger in 1967 kandidaat gesteld en werd ten slotte door Den Uyl in het zadel getild.

Maar al bij het kennismakingsgesprek liep het tussen deze twee spaak. Den Uyl had Roethofs steun aan een congresmotie van Nieuw Links, waarin gepleit werd voor erkenning van de DDR, absoluut niet gewaardeerd. Roethof beschrijft hoe hij zich verdedigde en maakt in Dwars over het Binnenhof onwillekeurig duidelijk waarom het tussen die twee nooit wat is geworden. Het aanstaande Kamerlid Roethof gaf de partijleider van de PvdA drs. J. M. den Uyl in diens kamer een zelfverzekerd college volkenrecht. Hij had de motie niet alleen gesteund, nee, hij had er zelfs een pre-advies over geschreven waarna een volkenrechtelijk betoog volgde. Roethof: ' Den Uyl zei 'ja, ja' en ging over tot de orde van de dag.'

In de fractie hield Roethof daarna nog jarenlang doortimmerde en consequente betogen, meestal over de rechtsorde, waar de meer bevlogen fractieleden 'ja, ja' tegen zeiden en hun eigen weg gingen. In krante-interviews kon men de eenzame liberale sociaal-democraat dan horen klagen over de emoties en incidenten die het politieke debat in zijn partij vaak beheersten.

Politiek kwam hij dan ook aan de rechterkant van de PvdA te staan het tegenwoordige midden. Zo maakte hij zich begin jaren zeventig al zorgen over het effect van de steeds meer voorkomende 'kleine' criminaliteit en vroeg de toenmalige KVP-minister van Justitie om een groot onderzoek. Het waren de jaren waarin criminaliteit 'afwijkend gedrag' heette, gepleegd door kansarmen. Van Agt karakteriseerde de Kameruitspraak waar Roethof om vroeg dan ook als een 'motie naar Nergenshuizen' achteraf bezien een historische blunder. In het begin van de jaren tachtig kreeg Roethof opdracht van een VVD-minister van justitie, Korthals Altes, om het onderzoek zelf te doen. Dat resulteerde in het rapport Samenleving en Criminaliteit dat het justitiebeleid in de jaren tachtig heeft meebepaald.

Dwars over het Binnenhof is een mooi boek, dat de lezer vastpakt. Het is geschreven door een puritein met een merkwaardige verhouding tot de macht. Iemand met een zeldzame gave in de politiek het vermogen om ergens alleen voor te gaan staan.

Roethof in de Tweede kamer

FOTO UIT BESPROKEN BOEK