'De spanning was veel erger dan de actie'; De Nederlandsemarine in Korea

De kans bestaat dat de twee Nederlandse fregatten in de Golf onder VN-vlag bij een oorlog betrokken raken. De laatste keer dat dit de marine overkwam, was van 1950 tot 1954 tijdens de Korea-oorlog. Over het aandeel van de marine in die oorlog is bij het publiek weinig bekend - de aandacht ging later vooral uit naar de landmacht. Toch lopen er nog veel Nederlandse marinemensen rond met onuitwisbare herinneringen aan deze 'vergeten oorlog'. Drie ex-matrozen van drie verschillende schepen blikken terug op hun ontberingen. Over de spanning, de kou, de onmogelijke commandant, de onzichtbare vijand, de geheimen van 'het schoftenhok' en de bittere nasleep. ' Ik zat in het verblijf toen de klap kwam en ik dacht meteen: torpedo!'

Korea? Dat laat je nooit meer los. Oud-Koreastrijders houden reunies, bellen elkaar, wisselen foto's uit, schrijven in bladen. Naarmate ze ouder worden, wordt de fixatie sterker. De Golfcrisis verhevigt de herinneringen - zeker bij de meest vergeten groep deelnemers aan de Korea-oorlog: de marinemensen.

Chris Mark, een gewezen buschauffeur uit Rotterdam, liep al tegen zijn zestigste toen hij de geschiedenis van de Koninklijke Marine in de Koreaanse wateren te boek stelde in het onlangs verschenen Boeggolf voor Korea (Uitgeverij Uniepers Abcoude). Het is een minutieuze beschrijving geworden van de lotgevallen van de zes Nederlandse schepen in Korea: de 'Evertsen', de 'Piet Hein', de 'Dubois', de 'Van Galen', de 'Johan Maurits van Nassau' en de 'Van Zijll'. In totaal trokken 1.360 marinemensen naar Korea, terwijl de landmacht 3.972 manschappen stuurde. De schepen waren niet tegelijkertijd in Korea aanwezig: ze losten elkaar af. Het eerste schip - de 'Evertsen' - vertrok in juli 1950 naar Korea, het laatste schip - de 'Van Zijll' - keerde in mei 1955 terug in Den Helder.

Het boek van Mark is ontstaan uit het knagend besef van een tekort. ' Op elke reunie hoorde ik dat er aan zo'n boek behoefte was. Er zijn stapels boeken over de marine in de Tweede Wereldoorlog, maar er is vrijwel niets over onze strijd in Korea.

' Ze noemen het niet voor niets een 'vergeten oorlog'. De terugkomers losten op in het niets, niemand keek meer naar ze om. Het leger bood geen morele opvang, en de pers toonde weinig belangstelling: als je dat vergelijkt met al die stukken nu over de twee fregatten in de Golf!'

Toen de belangstelling later opleefde, ging ze vooral uit naar de belevenissen van de landmacht in Korea. De marinemensen begrijpen dat wel: de inzet van de grondtroepen was spectaculairder en de verliezen waren dramatischer: 123 mensenlevens tegen twee bij de marine. Toch zit het hun dwars dat ze er op de jaarlijkse reunie van de oud-Koreastrijders maar een beetje bijhangen.

' Wij worden wel gewaardeerd, maar je voelt je toch een beetje in de hoek gedrukt', zegt Mark enkele dagen na de laatste reunie in Den Bosch. ' Op zo'n reunie zijn er veel meer mensen van de landmacht dan van de marine. Toch heeft de marine in Korea belangrijk werk gedaan: we hebben de grondtroepen aangevoerd en we hebben beschietingen op de wal uitgevoerd.'

Mark was een 20-jarige matroos eerste klas toen hij met het laatste Nederlandse schip - de 'Van Zijll' - naar Korea voer. Het was in juli 1954, de Koreaanse oorlog liep al op zijn einde - een jaar eerder was een wapenstilstandsovereenkomst afgesloten. Maar voor de bemanning maakte dat, psychologisch gezien, weinig uit. ' Wij wisten dat het daar snel weer een foute boel kon wezen als een van beide partijen te zenuwachtig werd. Verder wisten wij vrijwel niets, want de voorlichting was nihil, zowel voor ons vertrek als tijdens ons verblijf in Korea. Wat er op diplomatiek gebied gaande was, kreeg het gewone volk aan boord nooit te horen. Op het bord kon je alleen je dagelijkse orders lezen. De mensen thuis wisten meer.'

Eindeloos turen

Zolang de 'Van Zijll' in de Koreaanse wateren patrouilleerde, moest de bemanning de oorlogswacht lopen: zes uur op, zes uur af. Mark bediende als radio-afstandspeiler de radar: ' Eindeloos turen op het scherm om te zien of er iets verdachts gebeurde.'

De sfeer aan boord was lang niet optimaal. Mark: ' Aan kameraadschap was geen gebrek, maar we hadden ronduit een etter als commandant. Het viel me weer op toen ik in 1986 een reunie voor de bemanning organiseerde. Prompt begon iedereen weer over die man te klagen. Hij was dan ook absurd streng geweest. Ik weet nog goed hoe hij op de thuisreis een paar schoenen dat hij op een inspectie aantrof, zomaar over boord smeet. Toen hebben we wraak genomen door de reservelopen van mitrailleurs overboord te gooien, iets wat hij later moest verantwoorden. We hadden toen al zoveel van hem moeten verduren. Bij Curacao ao werd een stoker zo kwaad op hem dat hij hem oppakte hem buiten boord hield. We hebben hem toen moeten ontzetten.

' Ja, hij is toch op die reunie gekomen. Hij heeft er zelfs zijn verontschuldigingen aangeboden. Hij zei tegen mij: 'Ik was toen 44 jaar, ik kon het niet goed aan, ik wist gewoon niet hoe ik het zaakje bij elkaar moest houden'. Wij pleegden een soort lijdelijk verzet tegen hem, we voerden overbodige opdrachten niet bijtijds uit. We maakten er opzettelijk een klere-bende van, maar als het echt nodig was, stonden we klaar voor ons werk.

' In die jaren was er een strenge hierarchie aan boord. Als een superieur je toebeet dat je een propje papier voor hem moest oprapen, dan hoorde je dat te doen. Nu zouden ze zeggen: doe het zelf.'

De irritaties aan boord van de 'Van Zijll' werden ook veroorzaakt door de gebreken die het schip gaandeweg vertoonde. ' We zaten vaak met waterschaarste. De verdamperinstallatie die zout water in zoet water moest veranderen, was regelmatig defect. We kregen per dag een liter zoet water per man waarmee we alles moesten doen. Douchen deed je in arren moede vaak met zout water.

' Bovendien waren de 'Van Zijll' en ook de 'Dubois' verschrikkelijke slingerbakken. Het waren fregatten van Amerikaanse makelij. Op zichzelf goede schepen, maar door de bouw niet stabiel. Je werd doodmoe van het geslinger, je kon nooit eens lekker snurken op je bed, je lag altijd maar te rollen. We hebben in een tyfoon gezeten waarin we maar liefst 62 graden slagzij maakten! Meer dan negentig procent van de bemanning was toen zeeziek. Nee, ik niet, dat is heel raar: ik ben nooit zeeziek geweest.'

Hij klaagt zonder wrok, op een toon van vertedering. Hij heeft nooit spijt gekregen van zijn besluit zich als vrijwilliger voor Korea aan te melden. Ik was beroepsmilitair, ik had voor zes jaar bij de marine getekend. Als je baas verlangt dat je een karweitje opknapt, moet je dat gewoon doen. Ons schip was niet helemaal bemand met vrijwilligers, een gedeelte moest worden aangewezen.'

Na zijn terugkeer uit Korea bleef hij nog enkele jaren bij de marine. Toen werd hij buschauffeur, een beroep waarvoor hij na twintig jaar wegens rugklachten werd afgekeurd. Hij had het niet moeten doen, vindt hij achteraf. Hij had gewoon bij de marine moeten blijven, maar de echtelijke liefde stelde haar eisen. De liefde had hem al eens eerder bij de neus genomen. ' Ik had me keurig gehouden op de reis naar Korea. Heel wat snoepgoed heb ik aan me voorbij laten gaan, omdat ik mijn meisje trouw had beloofd. Maar toen ik terugwas, merkte ik dat zij overspel had gepleegd.'

De Koreaanse oorlog brak op 25 juni 1950 uit, toen Noordkoreaanse troepen Zuid-Korea binnenvielen. De strijdkrachten van de Verenigde Naties, grotendeels uit Amerikaanse eenheden samengesteld, vielen daarop het Noordkoreaanse leger aan. Nederland reageerde als een van de eerste landen op de oproep van de Veiligheidsraad om een oorlogsschip onder de vlag van de Verenigde Naties ter beschikking te stellen. De torpedobootjager 'Evertsen' die zich toevallig in de Oost bevond, moest zich oorlogsgereed naar Korea spoeden.

De Amsterdammer Harm de Jong, een 22-jarige matroos tweede klas, was al anderhalf jaar met de 'Evertsen' in Indonesie toen zijn schip het bevel kreeg zich voor te bereiden op de oorlog. ' We stonden juist op thuisvaart, maar ik vond het niet erg, want als je al zolang van huis bent, kunnen een paar weken er ook nog wel bij. Dat werd ons namelijk gezegd: enkele weken. De commandant liet ons op een avond aantreden en zei: 'We gaan naar Korea, er is daar een oorlog uitgebroken'. Veel meer hoorde je niet.

' Wij wisten nog niet eens waar Korea precies lag. Nu was de oorlog voor ons niets bijzonders. Velen van ons hadden in de Tweede Wereldoorlog gevochten, mensen als ik hadden die oorlog als kind meegemaakt. Je wist wat het was en je begreep dat het ook het einde kon zijn - ik ben meteen opgehouden met sparen. Maar het deed me verder niks. Als beroeps ben je immers altijd met oorlogsoefeningen bezig.'

Niet enkele weken, maar een jaar later keerde de 'Evertsen' naar Nederland terug. De Jong: ' Achteraf moet ik zeggen: die periode heeft een enorm stempel op mijn leven gedrukt. En dat geldt ook voor vele anderen.' De Jong is de vertegenwoordiger van de marine in het bestuur van de Vereniging van oud-Koreastrijders. Hij organiseerde reunies en verzamelde een grote hoeveelheid documentatiemateriaal over de marine in Korea.

Hij kent de bemanning van zijn schip uit zijn hoofd, weet van de meesten de latere lotgevallen. ' Velen zijn later voortijdig afgekeurd. Hartaanvallen, zenuwinstortingen, noem maar op. Ik ben op mijn 54ste afgekeurd voor mijn werk in de sluis-, brug- en havengelddienst van Amsterdam. Ik werd steeds agressiever, maakte met iedereen ruzie, mijn vrouw had geen leven meer. Ik voelde soms van boven tot onder pijn, liep opeens te janken. Anderen kroppen het op, ik schreeuwde en sloeg het van me af.

' Het voordeel van die reunies is dat je je ei kwijt kunt. Dat heb ik nooit gekund, ook niet bij mijn huisarts. Het gaat er niet om heldenverhalen te vertellen. Held word je alleen bij toeval. Ze hebben me eens naar een psychiater gestuurd. Die wilde weten hoe mijn seksleven was. Ik heb haar zo afgebekt dat ze me niet meer wilde behandelen.'

Sneeuwmasker

Wat hem van Korea het meest is bijgebleven: de spanningen en de kou. ' Je zat altijd in spanning. Die spanning is veel erger dan de actie. Wij vonden het fijn om te schieten want dan kon je je afreageren. Maar die spanning - dat is het ergste. Je moet het je op zo'n schip zo voorstellen: de ene helft van de bemanning waakt over de andere. Als je midden in de nacht op post bent, dan weet je dat van jou wordt verwacht dat niets aan je aandacht onsnapt. Naderen er onderzeeboten, hoor je vliegtuigen?

' Op de brug stond ik altijd op een elektrisch kacheltje, een komfoortje, naar de vijand uit te kijken. Met een sneeuwmasker op en met rubberhandschoenen over gewone handschoenen - blote handen vroren meteen vast aan het metaal. Na twintig minuten werd je half bevroren afgelost. Dan ging je twintig minuten onderaan het trapje bijkomen voor je weer terugmoest. Zo was je zes uur in touw. Als ik daarna ging slapen, moest ik eerst de ijspegels voor mijn kooi weghalen. De kanonnen en de mitrailleurs moesten om de twintig minuten gedraaid worden, anders vroren ze in de olie vast.

' De 'Evertsen' voer meestal onder Engels commando. Wij moesten troepenschepen escorteren, 'savonds kropen we onder de kust voor het uitvoeren van bombardementen. Soms moesten we verdachte prauwen aanhouden. We gaven eerst een schot voor de boeg. Als ze niet gauw bijdraaiden, bliezen we ze van de wereld.

' Wij hadden een prima bemanning, afgezien van een onderofficier en een officier - etterlijers die niets liever deden dan rapportjes over ons opmaken. Het standsverschil aan boord was enorm groot. Dat is tegenwoordig niet meer: een officier en een matroos werken naast elkaar, het gaat veel gemoedelijker toe. De officieren waren toen allemaal van veel betere komaf dan de gewone manschappen. Het waren meneren, ze hadden hun eigen verblijf en je zag ze haast nooit. Het feit dat verreweg de meesten nooit naar de reunies komen, heeft te maken met de verhoudingen van toen.

' Als matroos had je vooral met je baksmeester te maken. Dat was de korporaal die de leiding had over 'de bak' in je verblijf: de tafel waaraan zo'n vijftien tot twintig man zaten. Het was eigenlijk je baksvader. Het waren doorgewinterde zeelieden die je moesten opleiden en erop toezagen dat het eten eerlijk verdeeld werd. Als je moeilijkheden had, ging je naar hem toe. Hij onderhield het contact met de schipper - de belangrijkste onderofficier - die op zijn beurt met de officieren in verbinding stond. Met een aalmoezenier of een dominee lulde je niet, want dat waren officieren. Een goeie baksmeester rapporteerde nooit over je. Als je iets verkeerds had gedaan, gaf hij je gewoon een paar knallen voor je kop.

' Het eten aan boord was de eerste maanden in Korea bar slecht. De oude voorraden moesten op. We aten gedroogde aardappelen uit 1944, blikgroente en almaar gestoomd gehakt. In het broodmeel zaten vaak meeltorren en in de nasi werden de maden meegekookt - die pikte je er op het laatst niet eens meer uit, want je was niet kieskeurig. Het voedsel werd pas beter toen we van de Amerikanen eten kregen.

' Arm, straatarm waren we, want de marine betaalde enorm slecht. Ook de officieren verdienden toen niet veel. Toen ik bij de marine begon, had ik 45 gulden per maand, in de Oost was dat 116 gulden per maand. Daarvan moest je alles doen, ook aanvullende kleding kopen. Om nog wat zakgeld te hebben, verkochten we Amerikaanse sigaretten in obscure Japanse winkeltjes. Ik ben met niks weggegaan uit Nederland en met schulden teruggekomen. Een borst vol onderscheidingen, maar arm als een rat.

' Op de hygiene aan boord werd scherp gelet. Op jongens die niet helder waren, werd de hogedrukslang gezet. Er was veel sociale controle. Als ik onderofficier van de wacht was en ik had het vermoeden dat een jongen met een vrouw was meegeweest, dan bracht ik hem naar het schoftenhok, een klein kamertje, waar ik hem zelf ontsmette. Maar omdat we boven op elkaar zaten - met vijftien man in een verblijf met de grootte van een gewone woonkamer - gebeurden er toch vervelende dingen. Er kwamen veel tb-gevallen, want de een hoestte de ander in zijn nek.

' Tegenwoordig is de situatie aan boord veel beter. Acht man in een hut, een wasserij, een dagverblijf, radio en tv. Die jongens worden verwend. Wij hadden niks.'

Hopeloos

De 'Evertsen' zal vooral de geschiedenis ingaan als het schip dat bijna verging. Tijdens een patrouille stootte het op een rif waardoor in de scheepshuid een scheur van achttien meter ontstond. De Jong: ' Ik zat in het verblijf toen de klap kwam en ik dacht meteen: torpedo! Ik was chef onderhoud van het voorschip en had de taak provisorisch lekken te dichten. Maar toen ik de mast zag zwaaien, wist ik dat het hopeloos was. Nee, er brak juist geen paniek uit. Niemand wilde het schip af, je krijgt opdrachten en je doet je werk. Ik heb mijn leven te danken aan de stokers en de machinisten die het schip beneden uit hun hoofd kenden en precies wisten welke mangaten en afsluiters dicht moesten - en dat ook met gevaar voor eigen leven deden.'

Op 2 juni 1951 keerde de 'Evertsen' in Den Helder terug. Drie jaar later verliet De Jong de marine. ' Ik kon me niet meer aanpassen. Ik vond het aardig bij de marine toen het oorlog was, daarna was het waardeloos. Ik kreeg met mensen te maken die niets meegemaakt hadden en mij wel even zouden vertellen wat ik moest doen. Spijkers op laag water zoeken, daar waren ze goed in. Na terugkeer uit Korea kreeg ik 53 dagen verlof. Toen moest ik me weer melden in Den Helder. Ik was iets te laat, ik kwam met de tweede trein uit Amsterdam in plaats van met de eerste. Ik kreeg meteen vier dagen licht.

' Eigenlijk kan ik nog steeds geen kwaad woord horen over de marine. Ik heb er een pokketijd gehad, maar zulke fijne maten als bij de marine heb ik nooit meer gekregen.'

Die kou, die verschrikkelijke kou. De herinnering daaraan duikt in alle verhalen op. Voor de bemanning van de 'Johan Maurits van Nassau' was de eerste confrontatie met de Koreaanse winter - temperaturen van 30 a 40 graden onder nul - bijna meteen noodlottig. Het schip raakte in januari 1953, tijdens zijn eerste patrouille, volledig bekneld tussen de ijsschotsen.

' Het ijs begon te kruien', herinnert Cees van Tigchelhoven, destijds matroos eerste klas, zich. ' Het trok het anker uit de grond en we dreven af in de richting van de vijandelijke kust. Alleen dank zij het kerende tij konden we nog ontsnappen.'

Van Tigchelhoven werd 18 jaar op de reis van de 'Maurits' naar Korea. Hij had zich als vrijwilliger gemeld. ' Nee, ze vonden het thuis niet leuk. Mijn ouders werden steeds stiller naarmate mijn vertrek naderde. Wat mij bewoog? Wij hadden in Nederland zelf net vijf jaar onder de duim gezeten. Dat stond ook mij nog helder voor de geest. Ik kom uit Rotterdam, ik heb niet het bombardement meegemaakt, maar wel de verwoestingen gezien. Mijn vader is na een razzia afgevoerd naar Duitsland. Ik heb de hongerwinter meegemaakt.

' Je hoorde dat die mensen in Korea hetzelfde overkwam en je kreeg het gevoel: dit kan niet. Ik wist iets van de communistische dreiging daar, maar hoe de situatie er precies was, daar had je geen flauw benul van. Wij werden niet voorgelicht. Bij het vertrek kwam een hoge pief een toespraak houden, maar je had toen je hoofd bij andere dingen. Op grond van de ervaringen met de voorgaande schepen wist je dat je zo'n 18, 19 maanden zou wegblijven. Maar het kon ook voor eeuwig zijn, want je ging nu eenmaal een oorlog tegemoet. Je ging op eigen initiatief, ik heb nooit iets gemerkt van morele druk van hogerhand.'

Geen Noordkoreaan gezien

Ten westen van Korea, boven de 38ste breedtegraad, werd de 'Maurits' van januari 1953 tot de wapenstilstandsovereenkomst in juni 1953 volop bij de gevechtshandelingen betrokken. Vrijwel elke dag kreeg het schip een 'fire mission', waarbij doelen op de Noordkoreaanse wal moesten worden bestookt. Van Tigchelhoven werkte tijdens de gevechten als minutielader van de luchtdoelmitrailleur.

' Overdag lagen we verscholen achter eilandjes als Sokto. Op zo'n eiland zat dan een plotter, een Amerikaan, die de vijandelijke bewegingen op de wal van het vasteland kon waarnemen. Hij gaf die door aan ons schip en vroeg om salvo's. Onze schoten vlogen over het eiland heen en sloegen op de wal in. We konden dus nooit zien welke schade we hadden aangericht. We vernietigden troepentransporten, tanks, auto's, dorpen, zonder er zelf ook maar iets van waar te nemen - want er lag immers zo'n eiland tussen ons en het doel. Alleen 'snachts waagden we ons tussen het eiland en de vijandelijke wal.

' Dat er een vijand was, merkte je alleen als er werd teruggeschoten. Ik heb dan ook al die tijd geen Noordkoreaan gezien, afgezien van de mensen in de prauwtjes die we soms moesten aanhouden.

' Over het resultaat van de beschietingen werd je maar heel summier ingelicht. Na afloop hoorde je dat die Amerikaan 'well done' had gezegd, en daarmee was je dan heel tevreden. Angst? Je voelde meer spanning dan angst - vooral op momenten dat er een stilte viel. Gek genoeg herinner ik me vooral de komische momenten: een kist met aardappelen waarvan een hoek werd afgeschoten zodat een vent van ons volledig onder de aardappelen werd bedolven.

' De diensten konden buitengewoon zwaar zijn. Tijdens de patrouilles was er altijd een oorlogswacht: afwisselend zes uur constant op je post, zes uur vrij. Je kon de pech hebben dat je na zes uur op je post ook nog eens vier uur gevechtswacht moest draaien als er geschoten werd. We waren nooit langer dan vier weken achtereen op gevechtsterrein. Dan gingen we naar Japan om minutie en voedsel bij te laden. Daar had je dan een paar dagen om de spanningen af te reageren. Ik herinner me dat we naar een schitterend eilandje zijn geweest, waar Japanse kamikaze-piloten tijdens de Tweede Wereldoorlog hun laatste dagen doorbrachten.

' Aan boord van ons schip kregen we redelijk voedsel. Veel diepvries. In Japan sloegen we veel groente in. Pas als die op was, moesten we weer overgaan op de witte bonen in blik. De sfeer aan boord was die van een grote familie met een strenge vader. Niet te streng. Als je op je donder kreeg, had je het verdiend. Ook al ben je met 200 man, je leert elkaar goed kennen als je dagelijks in zulke omstandigheden met elkaar optrekt.'

Op de 'Maurits' viel een van de twee Nederlandse slachtoffers: Cees van Vliet, een telegrafist. Hij werd het slachtoffer van een misverstand. Hij was in de nacht met een motorsloep op weg om een zieke Zuidkoreaan op een eilandje op te halen, toen hij door Zuidkoreanen onder vuur werd genomen. Ze hadden hem voor de vijand aangezien. ' Er heerste grote verslagenheid aan boord. We zijn helemaal naar het zuiden van Zuid-Korea gevaren om hem met militaire eer te begraven.'

In 1983 keerde Cees van Tigchelhoven met een groepje gewezen strijdmakkers naar Korea terug. ' Toen we destijds weggingen, was Korea een platgebrand land. Op de hellingen was geen groen meer te zien. Nu is het weer een prachtig land. We hebben het internationale ereveld in Pusan bezocht waar ook de Nederlanders liggen. Bij het graf van Van Vliet kwam het weer allemaal boven. De eerste tien jaar na zijn dood heb ik iedere keer op zijn sterfdag gedacht: vandaag is Cees van Vliet gesneuveld. Dat ereveld wordt prachtig onderhouden. De Zuidkoreanen waren zeer gastvrij en toonden zich dankbaar. Ze gaven je het gevoel dat het allemaal niet voor niks is geweest.

' We zijn ook nog naar de grenslijn geweest. Toen zag ik ze pas: de Noordkoreaanse tegenstanders - ze lagen met verrekijkers op ons te loeren.'