De boordeknoop in de nationale geschiedenis

Een jaar of wat geleden ontdekte ik, op zoek naar iets heel anders, bij toeval in het Nationale Museum voor Amerikaanse Geschiedenis in het Smithonian complex te Washington het 'houten' kunstgebit van George Washington. Het was niet tentoongesteld in de afdeling staatkundige geschiedenis, bij de uniformen en de insignes van de eerste Amerikaanse president, maar in een enigszins achteraf staande vitrine op een lagere verdieping waar de historische medische instrumenten werden bewaard. Een mij vergezellende Amerikaan, die het beroemdste kunstgebit uit de geschiedenis van de Verenigde Staten nog nooit had gezien, raakte er heel opgewonden van en bestudeerde het met een verrukte aandacht alsof hij zojuist de sleutel van Washingtons militaire en politieke genie had gevonden. Hij complimenteerde me met mijn ontdekking, die hij typeerde als een voltreffer van serendipiteit. Ik kende dat woord alleen in verband met de ontdekkingsgaven van Marco Polo en Columbus, maar het strekte zich in uitgebreide betekenis ook tot kleinere ontdekkingen uit: de gave om waardevolle ontdekkingen te doen (zoals de Webster het omschrijft) dan wel, volgens de grote Van Dale, het vermogen om door toeval en intelligentie iets te ontdekken waar men niet naar op zoek is.

Het kunstgebit van George Washington is voor Amerikanen die met strip comics zijn opgevoed, wat voor meer staatkundig georienteerde lieden daar het eerste handgeschreven ontwerp van de Amerikaanse grondwet is: een belangrijk orientatiepunt in de staatkundige geschiedenis, en het ene is niet minder heilig dan het andere. Het kunstgebit leek mij meer iets voor studenten tandheelkunde dan voor liefhebbers van de geschiedenis der politieke instellingen, maar in de VS is zelfs het kleinste dingetje dat uit het begin van de Republiek dateert van de grootste historische betekenis. Een boordeknoop van de eerste president wordt al tot de nationale geschiedenis gerekend.

Fraai was het gebit van George Washington niet en gesoigneerd evenmin. Het was door de tands des tijds zwart geblakerd en smoezelig geworden als oude lucifers. Maar de Amerikanen bejegenden het met hetzelfde respect als de architectonische monumenten uit hun geschiedenis. In de kolossale medische encyclopedie van Petrucalli en Lyons stond het minutieus beschreven. De tanden waren in werkelijkheid niet van hout maar van geslepen hoektanden van een nijlpaard. Ze waren met houten pennen gemonteerd op een basis van ivoor (ondergebit) en goud (bovengebit). Door het gebruik van die pennen was het in de volksmond een houten gebit geworden.

George Washington had zijn onderkaakprothese kennelijk niet gespaard, getuige de afgebeulde kiezen op de foto in de encyclopedie. De bovenprothese verkeerde ook niet meer in de beste staat, maar het geheel zag er wel stevig uit. Sommige tanden hadden de tijd niet doorstaan, waardoor de gebitsformatie enkele kraters vertoonde, maar wat er was overgebleven was nauwkeurig beschreven. George Washington moet een flinke eter zijn geweest, want de vlakke bruggen die aan weerszijde van de onderkaak waren aangebracht, vertoonden over de gehele lengte van het kauwvlak slijtplekken als remsporen. Of de protheses ook goed zaten, vermeldt de geschiedenis niet, maar dat leek niet aannemelijk, want boven- en onderprothese waren verbonden door een gouden veer om een gecoordineerde kauwbeweging mogelijk te maken. Zonder bijgeluiden zal Washington wel niet hebben gegeten want behalve door zijn gouden veer, die als een muizeklem tegen zijn verhemelte drukte, werd hij ook nog door een organisch defect gehinderd. Hij had een vooruitspringende onderkaak en was dus een onderbijter, zoals uit alle schilderijen uit zijn generaals- en zijn presidentsperiode blijkt.

Ik zag het kunstgebit in het Smithonian in 1980 voor het eerst. Zes jaar later kwam ik er weer, deze keer voor een tentoonstelling in een ander gedeelte van het museum. Ik weet niet waarom ik het kunstgebit nog eens wilde zien, maar ik werd door een ongemotiveerde nieuwsgierigheid ernaar toegetrokken. De verdieping waar ik het de vorige keer had ontdekt, had een revolutionaire herinrichting ondergaan, waardoor ik het spoor bijster raakte en de historische verlostangen niet meer kon vinden. De suppoost wie ik de weg vroeg wist van geen gebit, en wie ik ook verder vroeg, niemand wist waar de gezochte vitrine stond. Ik had het al opgegeven toen er iemand van de museumstaf voorbij kwam, een conservator, die zonder moeite de plaats aanwees en er ongevraagd aan toevoegde dat het, eerlijk gezegd, niet veel zaaks meer was.

Het gebit dat mij werd aangewezen, was niet hetzelfde dat ik enkele jaren eerder had gezien en waarvan ik aantekeningen had gemaakt die ik had bewaard. Het opschrift op de vitrine maakte alles duidelijk: de oorspronkelijke protheses, die George Washington in het Witte Huis had gedragen (vervaardigd door John Greenwood, een ivoordraaier uit New York die zichzelf tot tandarts had omgeschoold), waren in 1981 uit het museum gestolen. Op de plaats van het oorspronkelijke kunstwerk lag een zo goed als hagelwitte kopie die net van de fabriek leek te zijn gekomen. Het museum had er danig over ingezeten, maar gestolen was gestolen en er had niets anders opgezeten dan een nieuw kunstgebit te laten maken. Het was nog een hele troost geweest dat het oorspronkelijke kunstgebit volledig was gedocumenteerd waardoor het exact kon worden gekopieerd. Volgens de conservator was ik de eerste die naar het oude exemplaar vroeg, zodat ik het gevoel kreeg een opzienbare ontdekking te hebben gedaan. Was de diefstal destijds dan niet bekendgemaakt? Nee, het museum had een low profile gehouden om niet nog meer dieven (en souvenirjagers) aan te trekken.

Bij mijn eerste ontdekking was ik bij toeval op het kunstgebit van George Washington gestuit, maar bij de tweede had ik er een neus voor gehad. Deze keer moest het wel serendipiteit zijn geweest. Het is een woord dat je hooguit een of twee keer in je leven gebruikt, maar wie het eenmaal heeft gepraktizeerd, vergeet het nooit meer.