Bridge

Een van de grote spelers van na de oorlog was de Zweed Jan Wohlin, vanwege zijn volumineuze lichaamsomvang bijgenaamd 'fat boy'. De Europese hegemonie werd in die jaren betwist tussen Groot-Brittannie en Zweden. In 1950 mochten beide landen Europa vertegenwoordigen in de eerste naoorlogse match om de wereldtitel tegen de Verenigde Staten. Tegen het team van Crawford, Goren, Rapee, Schenken, Solidor en Stayman allemaal legendarische namen konden noch de Britten, noch de Zweden op, maar de onderlinge match was voor het Zweedse team, waarin overigens het IJslandse paar Gudmundson-Thorfinnson was opgenomen. Behalve Wohlin met zijn partner Lilliehook maakten ook Kock-Werner deel uit van het team naar wie het Kock-Werner-redoublet is genoemd. Zo'n redoublet is een reddingspoging als partners volgbodkleur is gedoubleerd voor straf, en vraagt partner om zijn beste ongeboden kleur te noemen of eventueel de kleur van de tegenpartij. Bij voorbeeld:

1 (Klaver)

1 (Schoppen)

dbl.

rdbl.

pas

De volgbieder mag zijn geluk proberen in (Ruiten) of (Harten) of zelfs in (Klaver), want de redoubleur zal iets hebben als een 0-5-4-4-patroon. Dat een Kock-Werner-redoublet tegenwoordig moet worden uitgelegd heeft een simpele oorzaak: het negatieve doublet heeft in dergelijke situaties het strafdoublet vrijwel verdrongen en dus is een reddingsredoublet niet meer nodig. Na een negatief doublet worden tegenwoordig Rosenkranz-redoubletten toegepast. Zij geven juist steun aan in de volgbodkleur en wel steun waarin zich Aas, Heer of Vrouw bevindt.

Jan Wohlin heeft zijn naam echter aan iets heel anders gegeven en wel aan een verzameling spellen met bijzondere speeltechnische pointes. Een eerste bloemlezing uit de Wohlin-collection verscheen in 1973 van de hand van Victor Mollo en Eric Jannersten onder de titel The best of bridge, maar tot de huidige dag verschijnen in het maandblad van de International Bridge Press Association regelmatig nieuwe parels uit Wohlins verzameling. Drie recente spellen geef ik hier weer omdat ze iets gemeen hebben. Wat, dat vermeld ik aan het slot. Hier is het eerste spel:

(Schoppen) A H V

(Harten) H 6 3 2

(Ruiten) A V

(Klaver) A 7 4 3

(Schoppen) B 10 9 8 5

(Harten) A 7 4

(Ruiten) 8 6 3

(Klaver) 9 2

Na N's 2-SA-opening zit Z in 4(Schoppen) (het paar gebruikte geen transferbids) en W kwam uit met (Schoppen)3. Hoe pakt Z de zaken aan?

Dit was nog geen hersenkraker, maar nu deze:

(Schoppen) 6 2

(Harten) A 10 3

(Ruiten) V 6 2

(Klaver) A B 9 3 2

(Schoppen) A H

(Harten) V 7 5 2

(Ruiten) A H B 3

(Klaver) 7 5 4

Na 1 SA - 3 SA komt W uit met (Schoppen)B. Hoe neemt Z het grootste aantal kansen mee op succes? Laat ik nu eerst maar beginnen met de oplossingen van de eerste twee spellen. In 4(Schoppen) liggen er 9 vaste slagen. De 10e kan komen uit een geslaagde snit op (Ruiten)H of uit het rond zitten van de (Harten)'s. Z gebruikte zijn enige entree in de hand om meteen de (Ruiten)-snit te nemen. Maar O won en speelde (Schoppen) na. Z incasseerde nu (Ruiten)A en (Harten)H en trok (Harten) uit N. W won en O gooide (Ruiten) af. W speelde voor de 3de maal (Schoppen)-pech dat de 3-kaart (Schoppen) zat bij de 4-kaart (Harten)-, zodat Z zijn 10de slag ook niet kon maken door een (Ruiten) op tafel te troeven. Een down. Louter pech? Nee. Stel dat in N (Ruiten)A-x had gelegen in plaats van (Ruiten)A-V. Hoe had Z's speelplan er dan uitgezien? Simpel. Hij zou in slagen 2 en 3 (Ruiten)A en (Ruiten) na hebben gespeeld. Niets kan hem dan beletten om zijn 3de (Ruiten) later in N te troeven en dat is dan zijn 10de slag! Z is het slachtoffer geworden van het idee fixe dat hij een snit in (Ruiten) moet nemen, maar die is helemaal niet nodig.

In 3 SA lijkt de beste kans op de 9de slag te liggen in (Harten): speel een (Harten) uit N en leg in de hand (Harten)V. Zit (Harten)H goed (50% kans) dan is de buit al binnen. Neemt W met (Harten)H, dan kan Z later met (Harten)10 snijden op (Harten)B, nog eens een kans van 50%. In totaal dus 75% en dat is een mooi vooruitzicht. Waarmee vervolgt Z dus in slag 2? In werkelijkheid met een (Ruiten) naar (Ruiten)V om een (Harten) uit N te kunnen trekken. W bleek echter (Harten)H te hebben, en later O (Harten)B. Pech? Jazeker. En toch. De leider miste een extra kans omdat hij alleen maar lette op de gevaarloze oversteek in (Ruiten) om de (Harten)-kleur aan te spelen. Weer een idee fixe. Er kan niets gebeuren als hij (Klaver)A gebruikt om in N te komen! Sterker nog: er gebeurt iets prachtigs, want onder (Klaver)A valt bij O (Klaver)H. Z kan de (Harten)-kleur nu laten voor wat zij is, en gewoon een snit nemen op (Klaver)10 om zijn 9de slag te winnen.

Tot slot nu een echt moeilijke, maar een gewaarschuwd mens telt voor twee.

(Schoppen) B 2

(Harten) 6 3

(Ruiten) A 9 7 3

(Klaver) H V B 9 5

(Schoppen) H V 6 5 3

(Harten) A B

(Ruiten) H V 10 5

(Klaver) A 10

Tegen Z's klein slam (Ruiten) komt W met (Harten)10 uit en Z neemt O's V met (Harten)A. Als een verliezer in de (Ruiten)-kleur kan worden vermeden, is er geen vuiltje aan de lucht want op N's (Klaver)-kleur gaat de (Harten)-verliezer weg voordat (Schoppen)A eruit wordt gedwongen. Z speelt in slag 2 (Ruiten)H uit de hand, ziet bij W (Ruiten)8 en bij O (Ruiten)2 vallen. Hoe nu verder? Z nam terecht aan dat de kans nu groter is dat O (Ruiten)B-x-x-x bezit dan dat W dit (Ruiten)-bezit in handen heeft. Als W meer (Ruiten)-kaarten dan de 8 had bezeten, had hij ook een van die kaarten kunnnen bijspelen. Consequent stak Z daarom over naar (Ruiten)A maar zag tot zijn schrik O renonceren. W had misleidend bijgespeeld!

Goed van W natuurlijk, maar Z had zich moeten losmaken van het idee de (Ruiten)B eruit te snijden als O de 4-kaart (Ruiten) zou bezitten. Want tegen dat bezit is geen kruid gewassen. Als Z alle troeven trekt, krijgt hij immers als hij met (Schoppen)A van slag gaat, de (Harten)'s naar zijn hoofd. En stelt hij het troef trekken uit, dan speelt de tegenpartij als zij met (Schoppen)A aan slag komt, natuurlijk ook (Harten). Z moet troeven met (Ruiten)10 en O maakt (Ruiten)B alsnog.

De leider moet dus in slag 3 (Ruiten)V spelen. Ontdekt hij dat W (Ruiten)B-vierde bezit, dan speelt hij 3x (Klaver) om zijn (Harten)-verliezer kwijt te raken en gaat met (Schoppen) van slag. Het (Harten)-naspel troeft hij met (Ruiten)10 (deblokkade!) om met (Ruiten)5 naar N's (Ruiten)A-9 te spelen en te snijden.

Over wat deze drie spellen nu aan gemeenschappelijks hebben, hoeven we nu niets meer te zeggen.