Als Gatt slaagt, moeten de boeren inleveren

DEN HAAG, 20 okt. Het inkomen van de Nederlandse akkerbouwers en veehouders kan in zes jaar tijd met tien tot zelfs dertig procent dalen. Dit berekent het Landbouw Economisch Instituut (LEI) in een vertrouwelijke notitie over de gevolgen van het landbouwvoorstel van de Europese Commissie voor de Nederlandse boer.

De daling van het totale agrarische inkomen zal volgens het LEI lager uitvallen (zeven procent). Dat komt omdat het Commissie-voorstel niet direct van invloed is op de prijs van onder andere tuinbouwprodukten, consumptie-aardappelen en uien.

Gisteren is het overleg van de Europese landbouwministers over het Commissie-voorstel op een volledige mislukking uitgelopen. Het voorstel, afkomstig van Europees landbouwcommissaris MacSharry, wil de steun en bescherming voor de Europese boer tussen 1986 en 1996 met dertig procent verminderen.

Wereldwijde vermindering van de landbouwsubsidies staat centraal op de komende ministersconferentie van de GATT (Algemene overeenkomst inzake tarieven en handel) die in december in Brussel wordt gehouden en die een nieuwe fase moet inluiden in de liberalisering van de wereldhandel.

Voor sommige Nederlandse sectoren, waaronder granen en veeteelt, is de vermindering van de steun en bescherming inmiddels voor bijna de helft gerealiseerd. Met uiteenlopende gevolgen. Terwijl de Nederlandse melkveehouder zich de afgelopen jaren tevreden in de handen wreef, klaagde de graanboer steen en been.

Sinds Sico Mansholt als Europees landbouwcommissaris in de jaren vijftig de basis legde voor de Europese landbouwpolitiek, was dat beleid decennia lang het stokpaardje van de Europese boerenstand. Door het opkopen van overschotten bleven de interne EG-prijzen op peil. Zonder die prijssteun zouden veel bedrijven al lang zijn weggevaagd door Amerikaanse, Australische en andere boeren. Gemiddeld ligt de EG-prijs tegenwoordig twee keer zo hoog als de wereldmarktprijs.

Vanaf het begin van de jaren zeventig liep het mis. De voortdurende technologische vooruitgang zorgde voor gestage agrarische produktiegroei, terwijl de vraag naar voedsel daarbij achterbleef. Het op peil houden van de prijzen kostte Brussel steeds meer geld. Bovendien veranderde de EG van netto-importeur in een netto-exporteur van agrarische produkten. Dat leidde tot een enorme groei van de exportsubsidies.

Met het agrarische steunbeleid was inmiddels (overheden en consumenten die hogere prijzen betalen) meer dan tweehonderd miljard gulden gemoeid. In de Verenigde Staten en Japan liep het niet anders: in de VS was de steun opgelopen tot 180 miljard gulden en in Japan tot 110 miljard.

In Brussel hecht men geloof aan het prijsmechanisme, dus wil MacSharry nu vooral via prijsverlaging het agrarisch aanbod bedwingen. Sommige deskundigen, onder wie oud-EG-commissaris Mansholt, geloven daar niet in. Agrarische gezinsbedrijven hebben immers nauwelijks een alternatief. Mansholt c.s. pleiten daarom voor quotering van de produktie en braaklegging van grond.

Uitgangspunt in de voorstellen van EG-landbouwcommissaris MacSharry is dat de steun en bescherming voor de landbouwsector in tien jaar voor de belangrijkste produkten met 30 procent omlaag gaat, waarbij als beginjaar 1986 wordt genomen. Voor de berekeningen is een vaste wereldmarktprijs genomen op het gemiddelde niveau in de periode 1986-1988. Als de wereldmarktprijs stijgt kan de EG-steun dalen, maar dat effect telt MacSharry dus niet mee.

Alle uiteenlopende steunmaatregelen (o.a. prijssteun, exportsubsidies en directe steun aan de boer) zijn uitgedrukt in het totale geldbedrag, dat ermee is gemoeid: de Aggregate Measure of Support (AMS). Het is deze AMS die met 30 procent naar beneden moet.

Voorts worden bepaalde grensmaatregelen, waaronder hoeveelheidsrestricties, omgezet in vaste tarieven ('tarificatie'). Ook hier moet vervolgens een vermindering met 30 procent tot stand worden gebracht. De tarificatie dient in het voorstel van MacSharry gepaard te gaan met maatregelen die de invoer van graanvervangende veevoeders en oliezaden (uit o.a. de Verenigde Staten) beperken door contingentering en tariefsverhoging, in Brussels jargon rebalancing.

De steun wordt in McSharry's voorstel in gelijke jaarlijkse tranches verlaagd. Voor sommige produkten is de 'AMS' de afgelopen jaren al wat verminderd, waaronder granen en veehouderijprodukten. Uit een interne notitie van de EG-landbouwcommissaris blijkt dat de steun aan de graansector de komende vijf jaar nog telkens met 4 procent omlaag moet. Voor veehouderijprodukten is een jaarlijkse steunverlaging van 4,7 procent noodzakelijk. Steunverlaging kan niet zonder meer worden vertaald in prijsverlaging. Het Landbouwschap en het LEI hanteren de veronderstelling dat de prijzen die de Europese boeren ontvangen, voor de helft zijn bepaald door de wereldmarktprijzen en voor het overige door marktbeschermingsmaatregelen. Met andere woorden: een steunvermindering van 4 procent betekent een prijsdaling voor de boer van twee procent.

Sinds 1986 daalde de totale agrarische steun in de EG-landen van 103 naar 98 miljard dollar; uitgedrukt in ECU's (de Europese rekeneenheid: nu 2,33 gulden) was de daling nog iets groter. De gevolgen voor de Nederlandse boer waren heel verschillend.

In het geval van melk werd de produktiegroei aan banden gelegd, via verhandelbare quota. Dat mes sneed aan twee kanten. De produktiebeperking maakte, geholpen door afzetprogramma's (zoals schoolmelk), melk schaars waardoor de marktprijs steeg. Daardoor hoefde de EG per liter minder prijssteun te geven. De EG-kosten bleven bovendien beperkt omdat het aantal liters beperkt bleef. De Nederlandse melkveehouder profiteerde volop van de prijsstijging: het gemiddeld gezinsinkomen van het melkbedrijf steeg tusssen 1984 en 1988 met 50 procent tot 95.000 gulden.

Feest dus in Friesland, maar armoe in Groningen. De boeren op de zware klei van met name het Oldambt, waar voor de graanteelt nauwelijks geschikte alternatieven zijn, hadden zwaar te lijden onder de ineenstorting van de EG-graanprijs. Het EG-beleid was daarvoor rechtstreeks verantwoordelijk. Op de Europese Raad van 1988 beslisten de regeringsleiders dat de prijssubsidie omlaag moest bij overschrijding van de produktiedrempel van 160 miljoen ton per jaar. Dat besluit leidde tot een prijsdaling van liefst veertig procent.

Volgens het LEI is het eind van de ellende nog lang niet in zicht. LEI-onderzoekers J. Post en H. Rutten rekenen voor dat de inkomens van de graanboeren bij een jaarlijks daling van de graanprijzen met twee procent vijf jaar lang met telkens vier procent omlaag gaan. Post: 'Dat hakt er flink in. In Zeeland hebben de boeren substitutiemogelijkheden, zoals uien. Die ontbreken op de zware klei in het Oldambt'. De boer in het Oldambt kwam vorig jaar dan ook lang niet aan het jaarinkomen van 65.000 voor de gemiddelde akkerbouwer.

Sinds de Europese maatregelen van kracht werden nam het aantal akkerbouwers in Nederland elk jaar met zo'n vier procent af tot nu bijna 13.000. Post verwacht de komende jaren een verdere scherpe daling. Vooral oudere akkerbouwers zonder opvolger en dat is zo'n twintig procent van de totale beroepsgroep zullen er volgens hem de brui aan geven. Post: 'In zestig procent van de bedrijven is de akkerbouwer ouder dan vijftig jaar en een derde van hen heeft geen opvolger.'

Ook in de melkveehouderij verminderde het aantal bedrijven: sinds 1984 (toen de quota-regeling van kracht werd) met tienduizend tot veertigduizend. Volgens LEI-medewerker Rutten was hier sprake van een 'warme' sanering. Door de stijgende vraag naar grond en melkquota sprongen melkveehouders die hun bedrijf staakten, er financieel vaak goed uit.

Als het LEI gelijk krijgt zal, anders dan de afgelopen jaren, ook de veehouderij de komende jaren moeten inleveren. De Haagse onderzoekers veronderstellen hierbij wel dat Brussel dit keer geen volumebeleid (een verlaging van de afzetquota) maar een prijsbeleid (opkopen tegen lagere prijzen) zal voeren. De Nederlandse zuivelindustrie zou dat trouwens toejuichen, want zij kunnen dan op volle capaciteit blijven draaien. Het LEI verwacht een jaarlijkse inkomensdaling voor de sectoren zuivel en vlees gezamenlijk van 2,3 procent.

    • Hans Buddingh'
    • Kees Calje