ALS DE AMERIKAANSE PRESIDENT EEN OORLOG BEGINT

Val ik Irak aan en wanneer? Zonder twijfel staat George Bush voor de moeilijkste beslissing die een Amerikaans president moet nemen sinds de Cuba-crisis. Vorige week werd een begin gemaakt met de ontscheping van zwaarbewapende eenheden van het 3d Cavalry Regiment en de 1st Cavalry Division, vijftienduizend man onder andere uitgerust met M-1 tanks. Langzamerhand komt de opbouw van de Amerikaanse strijdkrachten in een eindfase. Aanvalsplannen van het Pentagon beginnen al uit te lekken. Het Franse blad L'Express beschreef onlangs een plan (operatie 'Night Camel') dat een Blitzkrieg van vier dagen behelst met als doel uitschakeling van de Iraakse troepen en ontzetting van Koeweit. De aanval zou in november moeten worden gelanceerd.

Bush aarzelt het groene licht te geven. De gevolgen van het losbarsten van geweld in de Golf zijn onvoorspelbaar, maar het lijkt onvermijdelijk dat veel slachtoffers zullen vallen en de verwoesting groot zal zijn. Bush zal hetzelfde gevoel hebben als president Kennedy tijdens de spannende dagen van 1962. Aan advies hoe een militaire actie kan worden begonnen, had hij geen gebrek. Niemand kon hem echter vertellen waar de escalatie zou ophouden.

Amerikaans bloed zal vloeien. Geschat wordt dat bij operatie 'Night Camel' twintigduizend Amerikanen het leven zullen moeten laten. Los van allerlei andere overwegingen maakt dit een besluit om in te grijpen voor president Bush zo moeilijk. Nu nog kan hij rekenen op de steun van de Amerikaanse bevolking en het Congres. Een opiniepeiling van de Wall Street Journal twee weken na het sturen van de eerste troepen naar Saoedi-Arabie wees uit dat zeventig procent van de bevolking achter deze beslissing stond. Uit een recente opiniepeiling bleek echter dat dit percentage nu al naar zevenenvijftig is gezakt, en dat negen van de tien Amerikanen vinden dat hun land geen oorlog moet beginnen.

Er is universitair onderzoek gedaan naar de relatie tussen aantallen gesneuvelden en de steun die wordt gegeven aan de president. Wanneer het aantal gesneuvelden van honderd naar duizend stijgt, zal de steun voor de president met vijftien procent dalen. Elke volgende vertienvoudiging betekent opnieuw vijftien procent minder steun. Het wekt geen verwondering dat de Washington Post vorige week berichtte dat president Bush meer afstand probeert te nemen van een beslissing Irak aan te vallen.

ZONDEBOK

Bush loopt lang genoeg in de Amerikaanse politiek mee om zich te herinneren wat een van zijn voorgangers, Harry Truman, overkwam in een situatie die opmerkelijke overeenkomsten vertoont met de Golfcrisis. De brede steun voor de beslissing van president Truman Amerikaanse troepen in te zetten om Zuid-Korea in 1950 te verdedigen tegen Noordkoreaanse agressie, smolt als sneeuw voor de zon toen de onder de VN-vlag geplaatste 'politie-actie' uitdraaide op een hardnekkige oorlog, waarbij veel Amerikaanse GI's het leven lieten. In het boek van Barnet wordt beschreven hoe de oorlog in Korea zich tegen Truman keerde en er een felle discussie in de Verenigde Staten ontstond over de schuldvraag. Toen werd Dean Acheson, de minister van Buitenlandse Zaken, de zondebok omdat hij enkele maanden voor de Noordkoreaanse inval zo onverstandig was geweest openlijk te verklaren dat het Koreaanse schiereiland buiten Amerika's verdedigingsgordel lag. Nu delen de Amerikaanse ambassadrice Glaspie en John Kelly, de onderminister voor het Midden-Oosten, deze twijfelachtige eer. De laatste omdat hij een Acheson-achtige verklaring aflegde vlak voor de Iraakse inval in Koeweit. In een hoorzitting van het Huis van Afgevaardigden zei hij dat Amerika geen defensie-verdragsbinding had met welke Golfstaat dan ook.

President Bush weet hoe het met Truman is afgelopen. De Koreaanse oorlog sleepte zich voort en hij verloor het vertrouwen van het Amerikaanse volk. Truman was geen kandidaat meer voor de democratische nominatie in 1952 en de bij voorbaat voor de Democraten verloren race om het Witte Huis werd gelopen door de ongelukkige Adlai Stevenson. Het geval Truman staat overigens niet op zichzelf. Alle belangrijke gewapende conflicten, van de Spaans-Amerikaanse oorlog tot en met Vietnam, waar Amerika met grote eensgezindheid aan begon, liepen uit op grote binnenlands-politieke verdeeldheid. De Tweede Wereldoorlog vormt hierop de enige uitzondering.

ADVISEUR

De relatie tussen de president en het Amerikaanse volk op momenten dat de Verenigde Staten betrokken raken in conflicten en voor het besluit komen te staan al dan niet oorlog te verklaren, vormt het thema van het boek van Barnet. Richard Barnet heeft al verscheidene werken over de Amerikaanse buitenlandse politiek op zijn naam staan. In de jaren zestig werkte hij voor de regering-Kennedy als adviseur op veiligheidsgebied. Teleurgesteld over zijn ervaring in de regering richtte hij in 1963 in Washington het 'Institute for Policy Studies' op, dat een alternatieve denktank moest worden om tegengas te geven aan de traditionele instituten op buitenlands politiek gebied. Barnet had een groot aandeel in de publikaties van zijn instituut. Zijn eerste werken waren links-kritische beschouwingen over de plaats van Amerika in de wereld. Een van zijn invloedrijkste boeken is Global Reach, dat gaat over de macht van multinationale ondernemingen. Dit in 1974 gepubliceerde werk sloeg in progressieve kringen aan en stimuleerde de discussie over de machtspositie van grote ondernemingen in de wereld.

In latere publikaties stelde Barnet zich gematigder op. Zijn boeken werden meer brede schetsen van een bepaald thema uit de Amerikaanse internationale betrekkingen. Dit boek is daarvan een voorbeeld. Het is geen onaardig boek om te lezen, hoofdzakelijk omwille van de vele anekdotes. Er zit echter weinig systematiek in en het graaft niet diep. De verdienste van Barnet is echter dat hij het thema voor een breed publiek toegankelijk maakt; daardoor zou er meer begrip kunnen ontstaan voor de factoren die een rol spelen bij de afweging van een eventueel Amerikaans besluit een oorlog te beginnen. In dit opzicht is zijn boek een nuttige aanvulling op de oneindige hoeveelheid boeken over de buitenlandse politiek van de Verenigde Staten.

Barnet gaat terug in de geschiedenis van Amerika en beschrijft de redenen waarom het isolationisme in de Amerikaanse samenleving zoveel aanhangers kreeg. George Washington waarschuwde in zijn afscheidsrede al voor het aangaan van bindingen met andere landen. De nieuwe wereld werd bevolkt door idealisten die niets moesten hebben van de weinig verheffende machtspolitiek die landen in de oude wereld bedreven. Ook Jefferson sprak zich uit tegen 'entangling alliances'. Dat weerhield hem er overigens niet van in 1803 tijdens de onderhandelingen met Frankrijk over de aankoop van Louisiana, een tegen Frankrijk gericht maritiem verbond met de Britten als stok achter de deur te hanteren.

ONVOORBEREID

De preocupatie met de expansie in Amerika zelf was een belangrijke factor bij het ontstaan van de isolationistische stroming. Nadat het Westen volledig was opgenomen in de Amerikaanse natie, groeiden de Verenigde Staten al snel uit tot een van de grootste economieen in de wereld. Ongewild werd Amerika een factor in de wereldpolitiek. Bij het opstellen van de Amerikaanse grondwet door de 'founding fathers' was echter geen rekening gehouden met een status als grote mogendheid, laat staan dat de grondleggers van de Verenigde Staten hadden kunnen voorzien dat Amerika van de ene op de andere dag in een allesvernietigende oorlog terecht kan komen. Nog voordat er door het aanbreken van het atoomtijdperk sprake was van de noodzaak besluitvorming in crisissituaties aan de president als 'commander-in-chief' over te laten, hadden Amerikaanse presidenten de neiging op eigen houtje Amerika in conflicten te betrekken. De in de constitutie opgenomen bepaling dat alleen het Amerikaanse Congres een ander land de oorlog kan verklaren, werd al in 1846 door president James Polk ontdoken toen hij een oorlog uitlokte met Mexico.

Toen de Eerste Wereldoorlog in 1914 uitbrak, riep Woodrow Wilson de natie op strikte neutraliteit en onpartijdigheid te betrachten. Het was een oorlog van Europeanen voor Europeanen. Amerika werd echter tegen wil en dank in de oorlog betrokken. Toen na herhaaldelijke provocaties de Duitsers in 1917 drie Amerikaanse koopvaardijschepen torpedeerden, kwam president Wilson tot de conclusie dat zijn land niet langer aan de zijlijn kon blijven staan. Hij besloot een verdeelde natie aan het grootste conflict van de eeuw te laten meedoen en vroeg en kreeg in een buitengewone zitting van het Congres een oorlogsverklaring aan Duitsland.

Nadat de oorlog die een eind aan alle oorlogen moest maken, was afgelopen, begon Wilson zijn dramatische strijd voor de Volkenbond. Tijdens de vredesbesprekingen in Parijs stemde Wilson in met de vernedering van Duitsland in ruil voor de verwezenlijking van zijn ideaal: collectieve vredeshandhaving. Bij zijn terugkeer in Amerika bleek dat een aanzienlijk deel van de bevolking voorstander was van een Amerikaans lidmaatschap van de Volkenbond. De Eerste Wereldoorlog had echter een belangrijke illusie waarop de Amerikaanse identiteit was gebaseerd, verstoord. Talloze immigranten die het oude ruziemakende continent waren ontvlucht, vonden dat Amerika het recht had met rust te worden gelaten. Ze wilden de consequentie niet aanvaarden van de wereldpolitieke status die Amerika had gekregen door de interventie in de Eerste Wereldoorlog.

Wilson onderschatte dit sentiment. Leden van het Amerikaanse Congres die bang waren voor machtsverlies op het terrein van de buitenlandse politiek als Amerika lid zou worden van de Volkenbond, stelden een aantal amendementen voor die erop neer kwamen dat Amerika in het kader van de Volkenbond geen enkele actie mocht ondernemen zonder voorafgaande toestemming van het Congres. Op 19 november 1919 werd het Versailles-verdrag door het Amerikaanse parlement verworpen. Barnet beschrijft dit terecht als een historische blunder. Hij gaat echter nog een stapje verder. Had Amerika aan de Volkenbond meegedaan dan zou er geen Hitler geweest zijn, geen Tweede Wereldoorlog en wellicht zelfs geen kernwapens. Het is een krasse bewering. Was bijvoorbeeld de onwil van de Volkenbond Italie te straffen voor de agressie tegen Abessinie alleen maar te wijten aan het feit dat Amerika niet meedeed aan de Volkenbond? Zou Amerika als lid van de Volkenbond het verraad van Munchen hebben voorkomen? De beschrijving die wordt gegeven van de Amerikaanse terughoudendheid tijdens het begin van de Tweede Wereldoorlog, doet anders vermoeden.

Hoewel Roosevelt al snel in de gaten had dat zijn land hoe dan ook in de oorlog zou worden betrokken, was hij uiterst behoedzaam. Om politieke redenen vermeed hij een botsing met de isolationisten. Een paar dagen voor de presidentsverkiezingen in november 1940 deed hij nog een ferme uitspraak: ' Your president says this country is not going to war.' Toen zijn herverkiezing was veilig gesteld, kon hij zich agressiever tegenover nazi-Duitsland opstellen. Na een noodkreet van Churchill werd de 'Lend-Lease' wet, die voorzag in massale militaire hulp aan Engeland, aan het Congres voorgesteld.

PEARL HARBOR

FDR wist als geen ander waar de grenzen van zijn politieke handelen lagen. Een aanbeveling van zijn invloedrijke adviseur Harry Hopkins om een preventieve aanval op het oorlogszuchtige Japan uit te voeren, legde hij naast zich neer met het argument dat een democratie zich nooit een niet-uitgelokte aanval op een ander land kan veroorloven. Ruim twintig jaar later werd door militaire adviseurs tijdens de Cuba-crisis aan JFK aanbevolen met een preventief bombardement de op Cuba geplaatste Russische raketten uit te schakelen. Robert Kennedy weerhield de president daarvan met hetzelfde argument. Een democratie kan zich een Pearl Harbor-achtige aanval niet veroorloven (' Now I know how Tojo felt when he was planning Pearl Harbor, ' hield hij zijn broer voor).

In 1941 loste de aanval van Japan op de Verenigde Staten het probleem van FDR op. De isolationisten hadden geen poot meer om op te staan en met grote steun werd de oorlog aan de As-mogendheden verklaard. Ondanks het feit dat de Tweede Wereldoorlog voor de meeste Amerikanen de 'Good War' was, waarvoor vrijwel iedereen zich wilde inzetten, waren er zelfs tijdens het voeren van deze oorlog duidelijke binnenlands-politieke grenzen voor de Amerikaanse regering. Amerikanen waren niet bereid van hun traditie af te wijken ook in oorlogsomstandigheden Amerikaanse soldaten als volwaardige burgers te beschouwen en niet als voer voor kanonnen. Anders gezegd: het aantal gesneuvelden mocht niet uit de hand lopen. Roosevelt durfde het dan ook in 1943 nog niet aan toestemming te geven voor een invasie in Frankrijk ondanks grote druk van Stalin om het Oostfront te verlichten.

Na de overwinning van de geallieerden in 1945 wilden de Amerikanen zo snel mogelijk de draad van hun normale leven weer oppakken. Demobilisatie moest snel worden uitgevoerd. Het vertrouwen in de Russische bondgenoot was groot en in tegenstelling tot de Volkenbond was er nauwelijks discussie over oprichting van de Verenigde Naties en Amerikaanse toetreding.

De discussie over Amerika's rol in de wereld laaide weer op toen duidelijk werd dat een Koude Oorlog begonnen was en de VN niet functioneerde. Opnieuw waren er invloedrijke groeperingen die de regering opriepen zich op het 'Fortress America' terug te trekken. Opnieuw was er een president die inzag dat Amerika een wereldpolitieke verantwoordelijkheid had, waaruit consequenties moesten worden getrokken. Opnieuw moesten de geesten voorzichtig rijp worden gemaakt voor ingrijpende besluiten. De wurggreep waarin Stalin Oost-Europa nam, stelde Truman in staat voor het eerst in de Amerikaanse geschiedenis van het Congres toestemming te krijgen voor deelneming aan een op Europa gericht bondgenootschap. Om deze overwinning binnen te halen, moest Truman wel de Amerikaanse Senaat beloven dat de in het NAVO-verdrag opgenomen bijstandsverplichting niet betekende dat de Verenigde Staten zijn bondgenoten altijd met militaire middelen te hulp zou moeten komen.

De brede politieke steun die hij kreeg voor de inkapseling van de Sovjet-Unie, bleek, zoals beschreven, niet solide toen in Korea de Koude Oorlog overging in een hete en grote aantallen Amerikanen het leven lieten.

Het effect dat de Koreaanse oorlog had op de Amerikaanse binnenlandse politiek, werd voor president Truman fataal. Voor zijn opvolgers was de verleiding groot om buitenlands-politieke avonturen meer aan het oog van het Amerikaanse publiek te onttrekken. Eisenhower kon die verleiding nog goed weerstaan. Hij vermeed Dien Bien Phu in 1954 omdat hij een Amerikaanse vernedering in Vietnam zag aankomen. Verbaasd vroeg hij zich af waarom de Britse premier Antony Eden de Suez-oorlog in 1956 begon terwijl er grote verdeeldheid in het Lagerhuis kon worden verwacht (' I'd never commit forces with such a weak public backing'). Als hij geen andere uitweg zag dan militaire actie, zoals in Libanon 1958, dan zorgde hij ervoor snel brede steun te verwerven.

Kennedy en Johnson en hun adviseurs bezweken wel voor de verleiding Amerika achter de schermen te betrekken bij gewapende conflicten. Robert McNamara vond het zelfs een verdienste aan een beperkte oorlog deel te nemen zonder het volk daarvoor te hoeven opjutten. In 1964 was president Johnson van plan verder te gaan met Amerikaanse betrokkenheid bij de Vietnam-oorlog; daarvoor had hij een volmacht van het Congres nodig. Door het uitgelokte incident in de Tonkin-golf kreeg hij zijn zin. Hij wist dat de emoties in Amerika altijd hoog oplopen als Amerikanen denken bloot te staan aan 'onrechtvaardige' agressie.

SALAMI

Opiniepeilingen lieten zien dat vijfentachtig procent het aannemen van de Tonkin-resolutie van harte steunde. Daarna paste president Johnson een zorgvuldige salami-tactiek toe. Aan de hand van de opiniepeilingen bepaalde LBJ wannneer een volgende escalatie in de oorlog mocht plaatshebben. Desondanks keerde de oorlog zich tegen hem. De prijs werd niet alleen te hoog maar ook dagelijks op de Amerikaanse televisie getoond. Net als Truman zag hij af van herverkiezing. Het Vietnam-trauma wortelde zich diep in de Amerikaanse samenleving. Zelfs na de herleving van het patriottisme onder Reagan hadden de meeste Amerikanen weinig trek in inmenging in gewapende conflicten buiten de landsgrenzen. Het idee van een nieuw Vietnam in El Salvador en Nicaragua schrok hen af. Reagan wist niet hoe snel hij Amerikaanse mariniers uit Libanon moest weghalen na de grote bomaanslag op de mariniersbarakken in Beiroet die in 1983 aan 241 mariniers het leven kostte. Op ongeveer hetzelfde moment werd Grenada, waar meer dan duizend zwaar bewapende Amerikaanse militairen 636 Cubaanse bouwvakkers en 43 soldaten versloegen, aangevoerd om te bewijzen dat de wereld weer met Amerika rekening moest houden.

De conclusie die Barnet in zijn boek trekt, is duidelijk. Het is een aantal keren in Amerika voorgekomen dat de toestemming die gekozenen voor meedoen aan een oorlog kregen van hun kiezers, vrij plotseling werd ingetrokken. Er is waarschijnlijk geen land waar de invloed van de publieke opinie op het doen en laten van politici zo groot is als in de Verenigde Staten. Presidenten hebben de neiging de toch al moeilijk te doorgronden buitenlandse politiek meer als een produkt te zien dat moet worden 'verkocht' dan als een scala van mogelijkheden waarover zo open mogelijk moet worden gedebatteerd. De verkooptechnieken zijn vaak subliem.

Dat neemt niet weg dat de Amerikaanse kiezers zich geen produkt laten aansmeren wat ze niet willen. Bush staat wat dat betreft voor een onmogelijke keuze. De internationale gemeenschap die er na het einde van de Koude Oorlog zo mooi leek uit te zien, kan zich niet veroorloven de Iraakse agressie tegen Koeweit en het stelselmatig vernietigen van de Koeweitse samenleving ongestraft te laten. Het beginsel van collectieve vredeshandhaving waarop de Verenigde Naties berusten en dat nu voor het eerst in de naoorlogse geschiedenis door de Amerikaans-Russische toenadering kan worden toegepast, staat op het spel. Het is voor de VN erop of eronder. Het is echter waarschijnlijk ook voor president Bush erop of eronder. Hij weet dat het beginnen van oorlogen die niet een-twee-drie afgelopen zijn en veel met de vlag gedrapeerde lijkkisten thuisbrengen, al eerder presidenten het politieke graf in heeft geholpen.

Joop Veen is secretaris van de Adviesraad Vrede en Veiligheid

door Richard J. Barnet

476 blz., Simon and Schuster 1990, f61,40

ISBN 0671633767

    • Joop Veen