Wiens kraag, wiens pop, wiens rinkelbel; Zeventiende-eeuwseportretten uit Enkhuizen

Dertig portretten van burgers die in de zeventiende eeuw in Enkhuizen de dienst uitmaakten, zijn verenigd op een expositie in het Zuiderzeemuseum. Op een van de doeken heeft een echtpaar zich laten afbeelden met zijn twee levende en zijn negen overleden kinderen. 'Wie hier naar kijkt moet wel door nieuwsgierigheid bevangen worden en iets begrijpen van de verbetenheid waarmee kunsthistorici geportretteerden trachten te identificeren.'

Het meest intrigerende schilderij op de tentoonstelling Portret van Enkhuizen in de Gouden Eeuw is ruim twee meter lang en 70 centimeter hoog. Het stelt niet, zoals de andere geexposeerde schilderijen, een Enkhuizer reder, bierbrouwer, zoutzieder, graankoopman of houthandelaar voor, noch diens vrouw of kinderen, maar een serie van 32 eendekoppen en 64 eendepoten. Ze werden omstreeks 1600 geschilderd en hebben waarschijnlijk eeuwen op het stadhuis gehangen. De poten en snavels van de dieren zijn voorzien van een huismerk en onder elke kop staat de naam van een Enkhuizer familie. Waarvoor dit schilderij ooit gediend heeft, weet niemand meer. Ook de rijmpjes op de lijst geven geen uitsluitsel. Mogelijk zijn het gemerkte lokeenden geweest, maar een andere theorie zegt dat het tamme eenden zijn die, omdat ze nogal eens schade aanrichtten, een herkenbaar eigendomsmerk moesten hebben.

De eenden hebben iets geheimzinnigs omdat hun functie niet duidelijk is. De mensenportretten zijn vooral raadselachtig wanneer men de voorgestelde niet kent. Hun functie is niet raadselachtig. Ze moesten de herinnering levend houden aan de voorgestelde en tot op zekere hoogte is dat ook gelukt. Van velen immers kent men de naam, het beroep en de familiegeschiedenis nog. Maar van anderen is dit niet zeker en weet men alleen: deze man, deze vrouw of deze kinderen hebben ooit in de zeventiende eeuw iets met Enkhuizen te maken gehad.

Naief

Het had weinig gescheeld of Enkhuizen was geworden wat Amsterdam nu is. Het stadswapen toont nog steeds de bron van de laatmiddeleeuwse welvaart: de haring. In 1572 koos Enkhuizen als eerste Hollandse stad de kant van Willem van Oranje in de strijd tegen de Spaanse koning. Uit dankbaarheid verleende de prins Enkhuizen het lucratieve paalrecht. Dit hield het recht in om belasting te heffen op alle schepen die de Zuiderzee bevoeren. Dit recht berustte daarvoor bij Amsterdam, dat nog zes jaar lang de zijde van de koning bleef kiezen, in welke periode de watergeuzen de haven blokkeerden. Enkhuizen wist van deze situatie ruimschoots te profiteren en trad met zelfvertrouwen de zeventiende eeuw binnen. De stad bezat het muntrecht, er was een afdeling van de Admiraliteit gevestigd en de Oost- en de Westindische Compagnie hadden er filialen. De trotse burgers, die voortbouwend op de ervaring en het kapitaal van hun voorvaderen hun stad zo welvarend zagen worden, hebben zich vaak laten portretteren. Niet in de eerste plaats door de nu bekende portrettisten uit Amsterdam, Haarlem, Delft of Leiden, maar door tegenwoordig vrijwel vergeten kleine meesters die voor kortere of langere tijd in de stad verbleven.

Zoals zo vaak zijn portretten weggeraakt, vernietigd of beschadigd. Op een zeker moment kent men de voorgestelde niet eens meer en het hele schilderij raakt uit de belangstelling. In Enkhuizen zijn twee concentraties portretten aanwezig: die uit het voormalig Weeshuis en die van de Stichting Semeyns de Vries van Doesburg. Voor deze tentoonstelling is daaruit dan ook ruimschoots geput, op gelukkkige wijze aangevuld met portretten van elders, zodat voor het eerst een indruk gegeven kan worden van de Enkhuizer portrettraditie. Vele geportretteerden zijn na eeuwen anonimiteit weer tot personen gepromoveerd.

Het zijn statige portretten van ernstige burgers uit aan elkaar verwante geslachten die een eeuw of langer de dienst in Enkhuizen hebben uitgemaakt: Semeyns, Van Loosen, Blauhulk, Buyskes. Ze zijn gestoken in donkere luxueuze kleding, waarmee de witte kragen, de kanten mouwen, de sieraden en wapens mooi contrasteren. Vooral de vrouwen onderscheiden zich door hun gouden ringen, haarspelden, en kettingen, hun kant, fluweel en brokaat. Dat vooral vroege gouden eeuwers zo 'sober en ingetogen' waren heb ik altijd een fabeltje gevonden. De kleding wordt later wel anders, zwieriger. Dat is een kwestie van mode, niet van een onbekrompener etaleren van rijkdom. Iedereen wist in 1600 hoe kostbaar fluweel, bombazijn, kant of brokaat was.

De kwaliteit van de schilderijen is niet eersterangs. Het is trouwens moeilijk daar een uitspraak over te doen, omdat zoveel schilderijen later bijgewerkt of overgeschilderd zijn. De composities zijn traditioneel en in een paar gevallen wat onhandig of naief. De schilder Herman Doncker koos voor zijn familieportretten een laag standpunt waardoor de personages hoog voor de kijker oprijzen. De achtergrond daarentegen ligt ver weg, zodat de verbinding tussen voor- en achtergrond niet natuurlijk tot stand komt en het geheel iets onwezenlijks krijgt. Er hangen verschillende portretten van kinderen die met hun gesteven kraagjes en schortjes, hun rinkelbel, hun pop of paard of kolfstok een ontroerende charme uitstralen. Tragisch is het grote familieportret uit 1638 waarop men een echtpaar ziet geflankeerd door twee levende kinderen, met op de voorgrond drie rieten wiegen met elk drie overleden kinderen. Volgens het opschrift op dit anonieme werk waren de ouders van deze elf kinderen 31 en 32 jaar oud. Wie ze waren is niet met zekerheid vast te stellen, maar wie hier naar kijkt moet wel door nieuwsgierigheid bevangen worden en iets begrijpen van de verbetenheid waarmee kunsthistorici geportretteerden trachten te identificeren.

Puzzel

De belangstelling voor Nederlandse portretkunst neemt na lange tijd weer toe. De tentoonstelling Portretten van echt en trouw, in 1986 gehouden in het Frans Halsmuseum, getuigde daar al van. Op de kunstmarkt wordt het genre weer sterk gewaardeerd. De Enkhuizer tentoonstelling en catalogus bevestigen deze tendens, evenals de laatste aflevering van het Leids Kunsthistorisch Jaarboek. Dit Jaarboek is een rijke en gevarieerde bundel van 19 bijdragen, die een reeks aspecten van het Nederlandse portret van de zestiende tot en met de negentiende eeuw bestrijken. De in chronologische volgorde opgenomen artikelen varieren van een uitvoerige beschouwing over de betekenis van het geleerdenportret, in het bijzonder dat van Erasmus, tot aan de frenologische denkbeelden van de Leidse kunstenaar D. P. G. Humbert de Superville (1770-1849). Daartussen leest men over de familieportretten van Jordaens, over zelfportretten van Rembrandt, over het Noordnederlandse pastoorsportret, over de epigrammen die Constantijn Huygens bij verschillende portretten heeft gemaakt, en over een zelfportret als schilder van Jan van Mieris. Elk van deze artikelen is zeer leesbaar en de kracht van de bundel is dat case-studies afwisselen met beschouwingen die op het terrein van de ideeengeschiedenis liggen, op dat van de portreticonologie en dat van de methodes van de portretidentificatie. Zo wordt aangetoond hoe belangrijk de herkomst van een portret is. Hierdoor immers kan men vroegere bezitters en daardoor mogelijk de voorgestelde traceren. Genealogisch onderzoek is daarbij onontbeerlijk. Ook het dateren van kleding, het nog eens controleren of het familiewapen of een jaartal niet is overgeschilderd kan de puzzel helpen oplossen.

Een portret haalt het nooit bij de natuur. De kopie blijft achter bij het origineel, dat is een literaire topos geworden, toegepast door dichters die iets over een portret te berde brachten, zoals Huygens. De adem blijft, ook bij de opperste gelijkenis, ontbreken. Toch komen natuur en kunst iets dichter bij elkaar wanneer een tot dan toe anoniem portret een naam krijgt en men weer weet wie is voorgesteld. Dat is de drijfveer achter de drift tot identificeren. Die drift leidt vaak tot succes, zoals dit jaarboek en de Enkhuizer catalogus bewijzen. Alleen met die eenden blijft het nog modderen.