WAT WIJ ZIEN EN HOREN

In het Museum voor Volkenkunde in Rotterdam is een prachtige tentoonstelling van beelden en schilden en geheimzinnige voorwerpen uit Afrika, Indonesie, Nieuw Guinea en van alle kleine eilandjes in de Bismarckzee en de Grote Oceaan die je op de atlas amper ziet. Groene krieuweltjes in het blauw van de zee, zo nietig, dat je denkt, kunnen er op die stukjes drijvend mos ook nog mensen wonen. Naar die tentoonstelling daar moeten jullie allemaal naartoe met je ouders. En als ze niet willen omdat ze op hun dooie luie gemak voor de televisie geplakt willen blijven hangen, pak je gewoon je lasso, werpt hem met een meesterzwaai om de televisie-antenne, even flink trekken, en ja hoor, daar klinkt het gekerm en geweeklaag al vanaf het doorgezeten bankstel. Het is net of hun warme eten met tafellaken en al onder hun neus vandaan getrokken wordt. En als jullie een schotel hebben, dan haal je gewoon de bus met isolatieschuim uit het schuurtje of van de hobbyzolder en spuit die vol zodat er geen onbenullige opgepoetste quizmaster meer doorheen komt.

Wij zijn opgegroeid tussen al die beelden, schilden en speren, want onze ouders hebben een grote collectie die ze allang voor onze geboorte verzameld hebben. Grappig is het wel als je de voorwerpen in een museum ziet waar je bijna niet naar mag wijzen en waar wij gewoon dagelijks mee omgaan. Even op de grote spleettrom uit Nieuw Guinea roffelen of met een speer en een schild door de bosjes in de tuin sluipen. Als een echte papoea een paar koppen snellen. Als we vroeger naar een Museum voor Volkenkunde gingen, zei onze papa altijd bij de ingang: 'Jongens, niets aanraken, want deze beelden en schilden zijn niet van mij. Dus geen speren van de muur halen en er de suppoost een gaatje mee in zijn onberispelijke zwarte uniform steken, want dan wordt hij echt heel boos en mag je nooit meer het museum in. Want als iedereen in een museum zijn handen niet thuis zou houden, zouden de voorwerpen op den duur zo vet en slijmerig worden als het slabbetje van een kwijlende baby en zouden de musea na verloop van tijd gesloten moeten worden omdat ze alleen nog maar plakkaten aan de wand hadden hangen met groezelige reliefs die stonken naar jongetjesvingers. En dat zou zonde zijn.' Maar moeilijk was het soms wel. Er heeft zo hier en daar weleens een roffeltje door een museum geklonken dat ineens, als de barse stem van een suppoost weerklonk, geschrokken ophield.

Toen we ongeveer een jaar waren werd onze box in een grote ronde kamer gezet waar een masker van papoeagolf aan de wand hing en een Uli-figuur uit Nieuw-Ierland stond. Ineens hoorden onze ouders een angstaanjagend gekrijs en gebrul. Ze renden de trap op en onze mama trok meteen de pampers van onze roze babybilletjes want ze dacht dat er een wesp of een bij naar binnen was geslopen en ons gestoken had. Maar toen zagen ze onze angstige betraande gezichtjes naar dat woeste masker en dat dreigende beeld kijken. En zo goed en zo kwaad als we toen wijzen konden met onze korte armpjes wezen we naar de schuldigen. Onze papa zei later dat hij toen dat masker en het beeld even door onze ogen zag. Gruwelijke heksen uit een onbekende wereld. Meteen heeft hij toen het masker van de wand gehaald en samen met het beeld in een diepe kast gezet met een doek eroverheen. Maar dat masker was erg kwetsbaar. Het was van beschilderde tapa. Dat is boombast die net zo lang geklopt en gestampt wordt op een open plek in het oerwoud tot het zo dun is als stof en je er zelfs kleding van kunt maken. Ze bevestigen dat op een frame van bamboe en zo ontstaat zo'n masker. En ook dat houten beeld stond daar maar te verstoffen in het donker. Toen heeft onze papa ze allebei verkocht. En weet je wat nou zo vreemd is. We zouden nu wel kunnen huilen van woede. En niet omdat er een wespje ergens op een verborgen plekje aan ons zit te knagen, maar uit spijt dat hij dat heeft gedaan. Als we er foto's van zien, zeggen we, had ons maar gewoon laten krijsen. Maar onze papa is nogal kindvriendelijk. Hij was denken we bang dat onze verse kinderzieltjes voorgoed geschokt zouden worden. Maar wij zeggen dat we er na een poos wel aan gewend zouden zijn geraakt en gewoon hadden gezegd, je bent maar een spooksel of een geest, je kan ons toch niets doen.

Het is leuk om in een huis te wonen met van die zeldzame dingen om je heen. Als we vriendjes te spelen hebben vertellen we ze wat alles voorstelt en waar het vandaan komt. En als onze vader een goeie bui heeft, en dat heeft hij heel vaak, mogen we met z'n allen even op de spleettrom roffelen. Dat dreunt het hele huis door. Dan lijkt het net of we met z'n allen een popgroep van papoea's zijn. B en T en de Papa Oea's.