TUSSEN GAAN EN BLIJVEN

Tussen gaan en blijven twijfelt de dag, verliefd op zijn transparantie. De koepel van de avond is nu een baai in haar stille deining schommelt de wereld. Alles is zichtbaar en alles is ontwijkend alles is nabij en alles is ontastbaar.

De papieren, het boek, het potlood, het glas, ze rusten in de schaduw van hun namen. Het kloppen van de tijd in mijn slapen herhaalt dezelfde koppige syllabe van bloed. Het licht maakt van de onverschillige muur een spookachtig theater van spiegelingen. Ik ontdek mijzelf in het midden van een oog; het ziet mij niet, ik zie mijzelf in zijn blik. Het moment lost op. Ik blijf en ga zonder te bewegen: ik ben een pauze.

(Uit: Het vuur van iedere dag, vertaling K. Michel)

HEEN EN TERUG

Modderige november: bevlekte stenen, gezwarte botten, vage paleizen. Ik ging over bruggen en door bogen, ik was in leven, op zoek naar het leven. In de salon van de maan bloedt het licht leeg. De mensen-vissen wisselen koude reflecties. Ik was in leven en zag veel spoken, allen van vlees en been en allen begerig. Toren van topaas en bloed, zwarte vlechten en de borsten amber, de onderaardse dame. Tijger, vaars, inktvis, klimop in vlammen: zij blakerde mijn botten en dronk mijn bloed. Bed, uitgestorven planeet, lichaam en nacht een valluik van spiegels, berg van zout, de dame. Zon van de hoogvlakte, eet mijn resten: ik was in leven en ging op zoek naar de dood.

(Uit: Het vuur van iedere dag, vertaling K. Michel)