Troonzalen voor opstandige rijken; Tentoonstelling over het Catalaanse modernisme

De gebouwen en meubels die de Catalaanse modernisten aan het einde van de vorige eeuw ontwierpen waren ondoelmatig. Hun interieurs waren onmogelijk om in te wonen en hun overdadig versierde kastjes nutteloos. Ze zijn nu bijeengebracht op een tentoonstelling in het Museo de Arte Moderna in Barcelona. 'Het modernisme was vooral modern ten opzichte van Madrid en dat gaf er zijn samenhang aan.'

Meubels moeten hun mond dicht houden. Daarom is het een vreselijk kastje, dat Gaspar Homar i Mespide omstreeks 1895 heeft gemaakt. Met zijn kartelrandjes en zijn venstertje van geslepen glas, zijn pagodische dakje en potsierlijk zijwaarts-priemende steeltje met een eikeblad, zijn golvende houtsnijwerk en zijn pretentieuze poten is het even hemeltergend nutteloos als het zondagse bezoek aan een oude tante die je veel liever vergeten was. En net als die tante klept het je de oren van de kop.

Het kastje heeft een boodschap, dat is het probleem. Tegelijkertijd is dat ook precies waarom het wordt beschouwd als een van de topstukken op de tentoonstelling over het Catalaanse modernisme die vorige week in Barcelona geopend is. De meubelmaker heeft zich zo te zien geen moment verdiept in de vraag wat er in zijn creatie kon worden opgeborgen. Hij wilde tonen hoe goed hij zijn ambacht beheerste. Hij liet zien dat hij op de hoogte was van zowel traditionele vormen als buitenlandse nieuwigheden. Hij verschafte de toekomstige eigenaar een voorwerp dat getuigde van zijn vooruitstrevendheid en van zijn dure smaak en ach, voor de glazen en de boeken was op een rek in de kelder nog wel ergens plaats.

Barcelona staat vol met kastjes zoals dat van Gaspar Homar, de meeste aanzienlijk beter en gelukkig slechts enkele nog minder geslaagd. Op een paar honderd meter afstand van het Museo de Arte Moderno, waar de tentoonstelling over het Catalaanse modernisme is ingericht, verrijst bijvoorbeeld uit het groen van het Ciutadella-park een kast van een gebouw dat bekend staat als het Kasteel van de Drie Draken. Het werd gebouwd door Lluis Domenech i Montaner als cafe-restaurant voor de wereldtentoonstelling van 1888, tegenwoordig is er een natuurhistorisch museum in gehuisvest. Draken zijn op de gevel van rode baksteen niet te ontdekken, wel zijn er drie verschillende torens en heeft het gebouw kantelen waarop weer kroontjes zijn geplaatst en is het met ornamenten uit allerlei verschillende stijlen overdekt. Het verwijst naar de middeleeuwen, naar de moren, naar Barcelona en naar zichzelf. Ook hier is de doelmatigheid ver te zoeken.

Traditie

De wereldtentoonstelling van 1888 is beslissend geweest voor de bloei en de verbreiding van het Catalaanse modernisme. Het kleine, provinciale Barcelona moest zich toen voor het oog van de wereld presenteren als een bloeiende metropool met een rijke historie achter zich en een veelbelovende toekomst in het verschiet. Alle architecten, decorateurs, schilders, beeldhouwers, meubelmakers, siersmeden en grafici die de stad rijk was, en zelfs de dichters, waren daarbij nodig. Voorzover ze nog niet samenwerkten, leerden ze elkaar nu kennen. De tentoonstelling zelf was voor Barcelona veel belangrijker dan voor de rest van de wereld, die er betrekkelijk weinig aandacht aan schonk. Die artistieke samenwerking bracht de stad later toch nog wereldfaam.

De bekendste vertegenwoordiger van de Catalaanse modernisten is tegenwoordig de architect Antoni Gaudi, hoewel hij, zoals alle genieen, niet representatief voor wat voor beweging dan ook is geweest. Terecht laat de expositie in het Museo de Arte Moderno dan ook vooral het werk van andere kunstenaars zien en maakt ze bovendien duidelijk dat die op hun beurt weer heel verschillende achtergronden hadden.

De architecten Domenech i Montaner en Gaudi bouwden al in het begin van de jaren tachtig huizen die anders waren dan wat voor die tijd gebruikelijk was: teruggrijpend op een middeleeuwse traditie gebruikten ze kleine bakstenen die de mogelijkheid van veel versiering en detaillering boden in plaats van grote brokken natuursteen. Domenech had daarbij vooral politieke beweegredenen: het grauwe neo-classicisme van de destijds overheersende stijl was in zijn ogen onverbrekelijk verbonden met de gebouwen van de centrale Spaanse overheid, die vanuit Madrid al eeuwen de Catalanen onderdrukte. Het was de grauwheid en strengheid van het Escorial. Gaudi werd voornamelijk door religieuze motieven gedreven. Hij was een van de oprichters, samen met de beeldhouwer Josep Llimona, van de uiterst conservatieve Cercle Artistic de Sant LLuc, die probeerde het idee van het middeleeuwse kunstenaarsgilde nieuw leven in te blazen en zich afzette tegen de invloed van decadente nieuwlichterij uit het buitenland. Maar uit dat buitenland, en dan vooral uit de schilderkunst van het impressionisme en de weee literatuur van het symbolisme, putten de jonge schilders en schrijvers van Barcelona juist hun inspiratie. Voor hen was de Catalaanse geschiedenis minder belangrijk dan de nieuwste mode uit Parijs.

Het wonder van de wereldtentoonstelling was, dat alle artistieke tegenstellingen tijdelijk naar de achtergrond verdwenen en dat de samenwerking nog enige jaren bleef bestaan. In de badplaats Sitges organiseerden schilders, musici en toneelspelers samen zomerfestivals, waar steeds meer deftige burgers zich lieten zien. Het gemeentebestuur kocht ter verfraaiing van openbare ruimtes schilderijen van de tot dan toe veel te nieuwerwets geachte Ramon Casas en uiteindelijk drong zijn werk zelfs door tot in het belangrijkste bastion van de hoge burgerij, de rooksalon van het Liceo, het operagebouw. En Domenech liet zijn drakenhuis herinrichten tot een gezamenlijke werkplaats voor beeldhouwers, keramisten, meubelmakers, glazeniers en andere ambachtslieden die samenwerkten bij het verder verfraaien van de stad.

Nationalisme

Opdrachtgevers zijn voor de makers van toegepaste kunst nog belangrijker dan voor vrije kunstenaars. Het enthousiasme en de volle beurzen van de Barcelonese burgerij zijn dan ook waarschijnlijk doorslaggevend geweest voor de bloei van het modernisme.

De volle beurzen hadden de Barcelonezen te danken aan de oorlogswinsten die de campagnes op Cuba voor de Catalaanse industrie opleverden, aan de families die terugkeerden uit de voormalige kolonien en aan de handel met de Verenigde Staten. Terwijl de rest van Spanje tot ver in de twintigste eeuw hardnekkig achtiende-eeuws probeerde te blijven, ontwikkelde Catalonie zich tot een centrum van handel en nijverheid dat het gezicht steeds meer naar het buitenland keerde.

Het enthousiasme voor het modernisme werd daarbij gevoed door de steeds grotere afkeer van Madrid. De centrale regering had al bij de organisatie van de wereldtentoonstelling volop tegengewerkt en wekte zelfs regelrechte haat in Catalonie door het opleggen van extra belastingen en andere discriminerende maatregelen in de loop van de jaren negentig. De kooplieden en politici van Barcelona werden op die manier in de armen van het Catalaanse nationalisme gedreven, waar ze tot op de dag van vandaag in rusten. Ze steunden na verloop van tijd alles waarin hun stad zich onderscheidde van de rest van Spanje: de eigen taal, het streven naar politieke onafhankelijkheid, de nieuwe kunst en de opzichtige, soms ronduit bizarre architectuur. Het modernisme was vooral modern ten opzichte van Madrid en dat gaf er zijn samenhang aan. Dat is het ook waarover ons kastje klept.

Erotiek

De tentoonstelling in het Museo de Arte Moderno onderscheidt zich van eerdere exposities over het Catalaanse modernisme doordat niet alleen de hoogtepunten op het gebied van binnenhuisarchitectuur en schilderkunst worden getoond. Er is moeite gedaan om de invloed van de beweging op alle artistieke terreinen te laten zien. Bijna de helft van de getoonde voorwerpen komt uit particuliere collecties en een vuistdikke catalogus in twee delen bevat de nieuwste studies op modernisme-gebied. Het resultaat van al dat werk is vooral dat de 'beweging' in stukjes en beetjes, in groepen en onderstromingen, in vriendenparen en individuen uiteenvalt.

Zo toont de expositie de schilderijen van Casas en Rusinol, die niet alleen door Parijse schilders geinspireerd blijken maar aanvankelijk ook vooral scenes uit het Parijse leven schilderen, en niet uit Barcelona. Casas hoorde later bij een groep die samenkwam in het (nog steeds bestaande) cafe Els Quatre Gats, waar zich rond de eeuwwisseling ook Picasso bij voegde. De affiches die ze voor hun theatervoorstellingen maakten en de portretten die ze van elkaar tekenden doen vooral denken aan Toulouse Lautrec. Ze geven een beeld van vrolijk levende, brassende en sportende jongemannen. Ze hebben niets te maken met de titel op de rijkversierde boekband die enige zalen verder ligt en die vertelt dat het liberalisme zondig is. De katholieke beeldhouwer Josep Llimona moet meer dan hem lief was van de zonde hebben geweten, getuige zijn Rodin-achtige beelden waar de erotiek van afspat. Van hem worden ondermeer zeer blote grafmonumenten getoond; in het hiernamaals bestond kennelijk geen noodzaak meer voor de de hooggesloten mantelpakjes die in weer andere zalen zijn opgesteld.

Hoogtepunt van de rondgang zijn de complete salons van rijkbewerkt en ingelegd hout, gemaakt door onder anderen Homar en Gaudi. Deze troonzalen van burgerlijkheid zijn vreselijk en misschien zelfs wel onmogelijk om in te wonen, maar wel heel curieus en soms zelfs mooi van lelijkheid.

tk Steigers

Aan het begin van de tentoonstelling staat een model van het Kasteel van de Drie Draken, dat blijkens een kaartje op de sokkel eigendom is van een plaatselijke bank. Toeval is dat niet, want nog steeds koopt en steunt het bedrijfsleven kunst die een eigen cachet geeft aan de stad. Ruim een eeuw na de wereldtentoonstelling maakt Barcelona zich zelfs op voor een nieuwe inspanning waarvan men minstens zoveel resultaat verwacht als in 1888, en misschien zelfs meer. De hele stad staat in de steigers om zich op haar best te kunnen presenteren tijdens de Olympische Spelen van 1992 en zowel het culturele erfgoed als de nieuwe kunstenaars moeten daarbij een belangrijke rol gaan spelen. Daarom wordt er ijverig gebouwd, hersteld en heringericht aan nieuwe en oude cultuurpaleizen. De tentoonstelling over het modernisme is georganiseerd door de 'Culturele Olympiade', de organisatie die verantwoordelijk is voor de artistieke activiteiten naast het sportevenement. Burgemeester Pasquall Maragall schrijft zelfs ronduit in zijn voorwoord bij de catalogus dat de Barcelonezen van nu een voorbeeld moeten nemen aan hun voorouders uit het vorige fin de siecle. Als het aan hem ligt, en aan zijn financiers, legt de stad in de komende jaren de basis voor een collectie kunstwerken en gebouwen die op zichzelf misschien niet bijzonder zijn, maar over honderd jaar bewonderd kunnen worden als markante vertegenwoordigers van het Catalaanse postmodernisme uit het einde van de twintigste eeuw.