'Renners weten niet wat ze gebruiken'

WOERDEN, 19 okt. De medische commissie van de wielerunie (KNWU) is geschrokken van het feit dat renners zelf dikwijls niet weten wat voor farmacologische middelen ze gebruiken. Dat blijkt uit het onderzoek dat de commissie, geleid door de cardioloog Jan Oudhof, deze zomer heeft verricht onder elf amateurs en negen profs. De tests, waarbij het hart centraal stond, zijn uitgevoerd naar aanleiding van het overlijden van een aantal min of meer bekende toprijders in de laatste drie jaar.

De bij de pilot-study betrokken amateurs gaven in de gesprekken toe dat ze zich zorgen maken over hun toekomst als broodfietser, omdat ze vrezen dan wellicht te worden gedwongen verboden produkten te nemen. Alle benaderde profs zeiden het gebruik van stimulantia van nabij te hebben meegemaakt. En een aantal van de twintig ondervraagden bekent dat het wel eens heeft geslikt: stimulantia, anabole steroiden, testosteron en corticosteroiden. Deze laatste onthullingen vonden Oudhof en de zijnen overigens niet bijzonder schokkend.

Voorzitter Lon Schattenberg van de medische commissie, die het rapport gisteren in Woerden presenteerde: 'Iedereen gaat wel eens naar de badkamer om een ongemak met een chemisch middel te verdrijven. Het zou vreemd zijn als dat dan door wielrenners niet werd gedaan. Maar het staat vast dat het aantal positieve gevallen in 1989 en 1990 bij het fietsen ver beneden het gemiddelde ligt.' Het onderzoek, dat de KNWU 20.000 gulden kostte, kwam in ijltempo op gang nadat een Zwitserse krant suggereerde dat de Nederlandse wielerdoden het gevolg waren van het gebruik van erytropoetine, een bijnierschorshormoon dat de produktie van rode bloedcellen bevordert.

Verdikking

'Als dat inderdaad zou worden genomen', verduidelijkte Oudhof, 'kan dat tot een levensgevaarlijke verdikking van het bloed leiden.' De cardioloog uit Reeuwijk is er echter allerminst van overtuigd dat erytropoetine heel populair is in het peloton. En wat de overledenen betreft tast men in het duister. Oudhof: 'In de meeste gevallen is nooit autopsie verricht. Ik zeg dan ook niet dat er door doping slachtoffers zijn gevallen.' In haar rapport komt de medische commissie tot de conclusie dat de gezondheidstoestand van de twintig proefkonijnen in het algemeen goed was. Slechts een van hen had aorta-insufficientie, een lek aan de hartkleppen dat niet gevaarlijk is maar het wel kan worden.

Het is Oudhof en de zijnen opgevallen dat de soigneurs soms een kwalijke rol spelen. Ze beperken zich, volgens het onderzoeksteam, niet tot de taken waarvoor zij zijn opgeleid, maar ze geven ook vrij vaak adviezen over voeding, gebruik van vitaminen en geneesmiddelen. Volgens Oudhof doen ze vaak geheimzinnig om machtig te worden. Een aantal renners raadpleegt, zo staat in het rapport te lezen, regelmatig een arts, waarbij een algemene klacht naar voren komt: de vermoeidheid.

Vertrouwensartsen

In de ogen van Oudhof en zijn commissie is het dan ook gewenst dat het seizoen wordt beperkt of dat het aantal wedstrijden per renner wordt verminderd. De KNWU zou dat idee aan de profsectie (FICP) van de internationale wielerunie moeten voorleggen. Het plan heeft al de steun van de toprenners Kelly, Argentin, Dhaenens en Bugno, die onlangs aandrongen op een besheidener kalender. Het medische college adviseert de KNWU verder voor de renners vertrouwensartsen aan te stellen: medici die geen lid zijn van de medische commissie. Onafhankelijken, bij wie de coureurs zonder onder druk te staan te rade kunnen als het gaat om het gebruik van farmacologische middelen. Met dat laatste is de rennersvakbond VVBW heel gelukkig. De VVBW stond uiterst sceptisch tegenover het onderzoek van Oudhof c.s omdat de privacy van renners in gevaar zou kunnen komen.

Het hoofdbestuur van de KNWU stond in Woerden positief tegenover de aanbevelingen van de medische commissie, die doorgaan op dit terrein als een must omschrijft. De vraag is alleen wie het vervolg betaalt. KNWU-voorzitter Zevenbergen: 'Onze unie heeft de portemonnee open getrokken, voor het begin gezorgd van iets unieks. Maar nu zijn er tonnen nodig, die wij niet hebben. Ik hoop dat er internationaal belangstelling is voor de follow-up. In eigen land reken ik op de steun van het Nederlands Instituut voor Sportgeneeskunde, van Academische ziekenhuizen, van de Nederlandse Sportfederatie en van het Ministerie van WVC.'