Reclamerouw

In Vrij Nederland van de vorige week heeft Kees Schaepman baanbrekend werk gedaan. Rouwen per millimeter heet het artikel waarin hij beschrijft hoe de dood van bekende en onbekende Nederlanders in de Volkskrant wordt gevolgd door een reeks explosies van geadverteerde droefheid. 'Er bestaan circuits van mensen die na de dood van een beminde Nederlander een belronde maken om namen onder zijn advertentie te verzamelen, ' meldt Schaepman. Dat is dus het geheim! Er blijkt een ongeschreven code te bestaan: de privacy van de naaste familie wordt een etmaal geeerbiedigd. Daarna wordt het lijk als het ware gecollectiviseerd ten behoeve van de reclamerouw.

Ik vind het moedig van Schaepman dat hij dit gedoe aan de orde stelt. Ik ken verscheidene kanttekenaars die al jaren met een verzameling knipsels op zak lopen, zelfs iedere dag in de Volkskrant kijken, begerig naar een tekst die alles in gekkigheid zal overtreffen waarna ze eindelijk dat stukje kunnen schrijven; maar ze blijven eromheen draaien. Dat hoeft nu niet meer. Schaepman heeft het gedaan. Zijn ergernis en zijn verontwaardiging zijn hem te machtig geworden. 'De godsgruwelijke arrogantie van mensen die denken dat alleen hun publiek beleden gevoel van betrokkenheid echte glans verleent!' roept hij uit. 'Maar waar komt dat emotioneel exhibitionisme vandaan?' Hoe kom je tot zo'n 'morbide vorm van namedropping?' Ik zou het niet weten en Schaepman ook niet, geloof ik. Hij houdt het er ongeveer op dat we met een nieuw soort snobisme te maken hebben.

Zoals met veel van dergelijke misere (tutoyeren door en van wildvreemden) moeten we de oorzaak waarschijnlijk weer zoeken in de jaren zestig. Als ik me goed herinner moest er toen ook 'een nieuwe houding tegenover de dood' worden gevonden, intiemer, natuurlijker, spontaner, zuiverder, vrijmoediger, misschien zelfs wat wildebrassiger, want: 'de dood hoort bij het leven.' In rouwadvertenties werd de beproefde formule waarin men 'met leedwezen' tot 'met diepe droefheid' van een sterfgeval 'kennis geeft' terzijde geschoven. Maf. Er zou iets voor in de plaats moeten komen dat tegelijkertijd persoonlijker was en meer in overeenstemming met de geest van de tijd.

Met de oude formules kan men, zoals met alles wat formeel is, zijn privacy bewaren en toch uitdrukking geven aan alles tussen een gebroken hart en een erfenisvendettta. In die openhartige manier van adverteren gaat het er juist om, het publiek er met je eigen waarheid zoveel mogelijk van langs te geven. Voor de lezer is daarbij het belangrijkste gevolg dat de schrijver van de tekst plotseling op zijn eigen talent is aangewezen. Dat heeft voor mij de Volkskrant in dit opzicht zo boeiend gemaakt: niet het snobisme maar de literaire kant van het verschijnsel.

Ik weet nog goed dat ik de eerste keer werd getroffen. 'Dag Piet, we hopen dat je het nu te gek hebt!' stond er onder verantwoordelijkheid van Kitty, Joep, Klaas, Willem, Koos, Harm, Griet, Annemarie en Stoffeltje. Ik vond dat ten behoeve van Piets Ouders wel een van de ondertekenaars de illegaliteit van de voornaam had kunnen verlaten. Deze advertentie heb ik uitgeknipt en in een speciaal boekje geplakt. Ik sprak erover met geestverwanten die ook aan het verzamelen bleken te zijn, net als Kees Schaepman. Dat is een jaar of vijf geleden. Als er weer eens een collector's item was verschenen, lazen we elkaar de tekst voor. Ik denk dat er intussen wel een informeel circuit van bloemlezingen zal zijn.

Verreweg de meeste eigengemaakte teksten hebben een paar gemeenschappelijke kenmerken. Het belangrijkste is dat er lucht wordt gegeven aan eigen creativiteit. Je kunt merken dat de schrijvers uniek uit de hoek wilden komen. Daarmee is het tweede kenmerk gegeven: de ondertekenaars gaan middels hun tekst zelf in het centrum van de belangstelling staan, de dode wordt bij al dat vertoon van oorspronkelijkheid naar de achtergrond gedrongen. Door die schaamteloosheid valt het derde kenmerk des te sterker op: er is bij al die copywriters van hun eigen gevoelsleven geen spoor van talent te ontdekken. Zo komen we vanzelf bij het vierde kenmerk: deze rouwenden hebben geen zelfkritiek.

Toen ik aan dit stukje begon was ik van plan, mijn beweringen met voorbeelden uit mijn eigen verzameling te staven. Nu het erop aankomt, zie ik ervan af. Ik heb geen zin een paar van die brutale, schijnheilige onbeholpenheden te laten herdrukken. Een volstaat. Het gaat over iemand die slachtoffer is geworden van zo'n duivels toeval: een wespesteek in een slagader. De tekst (ik heb de naam veranderd; de schuine streepjes geven aan dat de ontboezeming als gedicht was gezet) gaat als volgt: 'Liesje, / we wisten niet/ dat je zo teer/ was/ dood/ gekust/ door een wesp.'

Het is mijn overtuiging dat ondertekenaars van dergelijk gedoe een pak rammel verdienen van de echte nabestaanden. Maar afgezien daarvan blijft het me om de literaire kant van het verschijnsel gaan. Te vrezen valt dat de auteurs van dit proza het voor dat ogenblik werkelijk mooi hebben gevonden en dat ze dus in staat moeten worden geacht, nog veel meer mooi te vinden in de literatuur buiten de rouwadvertenties, dat even vals en lelijk is. Anders gezegd: deze oorspronkelijkheid in rouwteksten zegt iets over het wijdere bereik van een literaire smaak die dan wel even beroerd moet zijn.

Een apart geval, ook door Kees Schaepman genoemd, is Nel Benschop die van alle Nederlandse dichteressen het meest verkocht en misschien ook wel het meest gelezen wordt. Van la Benschop worden in advertenties meestal deze regels giciteerd: 'Rust nu maar uit/ Je hebt je strijd gestreden.' Ik vind het werkelijk tragisch dat er mensen zijn die in hun onschuld dat soort hypocrisie voor gevoeligheid verslijten. 'Rust nu maar uit': wie zegt dat tegen een lijk? Wie zal trouwens uitmaken of de stervende vond dat de tijd om 'uit te rusten' al was aangebroken? En 'Je hebt je strijd gestreden': wat is dat voor bemoeizuchtig commentaar? Om al die rouwbeklagers mores te leren, zou ik me misschien nog eens een bliksemsnelle, kortstondige wederopstanding wensen.