Opleving van Duits nationalisme in Pools Opper-Silezie; Oogstfeest in 'Hitlersee'

'Mein Gott, wir sind in Deutschland', verzuchten twee oude vrouwen terwijl ze elkaar omarmen op het sportplein van Szczedrzyk, een dorp bij de Zuidpoolse stad Opole. Boven hun hoofden wappert een grote Duitse vlag, omringd door kleine Poolse vlaggetjes, en op een betonnen podium zingt het plaatselijke vrouwenkoor liederen in het Duits. 'Du, Oberschlesien meine Heimat', enkele honderden dorpbewoners zingen mee, uit volle borst, want Opper-Silezie (vroeger Duits, nu Pools) is en blijft hun geboortegrond.

Szczedrzyk viert feest, het jaarlijkse oogstfeest. De oogst viel tegen, de zon heeft de aardappelen in de grond verschroeid, het gras doen verdorren en de aardbeien onder de verbruinde bladeren weggebrand. Toch hebben de vaak oude inwoners van Szczedrzyk ruim negentig procent van hen is van Duitse afkomst reden tot vieren: voor het eerst in 45 jaar zingen ze de oogstliederen weer in hun moedertaal, een taal die in Opper-Silezie jarenlang niet werd onderwezen, die zelfs niet in het openbaar mocht worden gesproken. Veel jongeren hebben het Duits daarom verleerd, maar de oudere leden van de Duitse minderheid niet. Volgens hen heet Opole nog gewoon Oppeln, wordt Wroclaw Breslau genoemd en draagt Zabrze de naam Hindenburg. Szczedrzyk is bij hen beter bekend onder de naam 'Hitlersee', vernoemd naar een groot meer dat vlak voor de oorlog naast het dorp werd aangelegd om de watertoevoer van de Oder te regelen.

Herinneringen

De 'See' (inmiddels Turawa-meer) ligt er nog steeds, met blauw, golvend water en een strand waar toeristen zich kunnen vermaken, waar de kinderen uit Szczedrzyk spelen en waar de ouderen hun herinneringen ophalen, over de jaren in de oorlog en de tijden 'nach der Front' toen de Volksrepubliek Polen het 'Deutschtum' in het Oder-gebied door verboden, verklikkers en geheime agenten wilde laten uitsterven. Dat is nooit gelukt. De bewoners van Szczedrzyk en omstreken, de vele kleine dorpen waar de Duitse minderheid in de meerderheid is, spreken de taal die ze 45 jaar geleden moesten leren vergeten.

Hun huizen, ooit gebouwd in Duitse tijden, worden goed onderhouden, de herfstbladeren zijn van de stoep geveegd, de ramen zijn gewassen, de vensters beschilderd en in de tuintjes prijken bloemenperkjes. En wie het zich kan veroorloven heeft een satelliet-antenne op het dak waarmee Duitse programma's kunnen worden ontvangen: via de ether zijn zij verbonden met Duitsland. Hun kinderen spreken slechter Duits, zij kampen vaak met een identiteitscrisis. Zijn ze Polen, Duitsers of Sileziers? Ze zijn van alles wat. Maar binnenkort krijgen zij boeken om de taal weer te leren, en worden studiereizen naar Duitsland aangeboden.

De regering in Bonn heeft de vroegere DDR-consulaten overgenomen in de steden Wroclaw, Szczecin en Gdansk: de Duitse minderheid in Opper-Silezie zal zich melden in Wroclaw. Zij geeft haar leden al zelfgemaakte 'Ausweise der deutschen Minderheit' die eerdaags moeten worden ingewisseld voor Duitse paspoorten. 'Wij leven nu onder 'Polnische Verwaltung'. Dit gebied zal ooit weer Duits worden', zegt een oude man hoopvol. Hij heeft vertrouwen in de toekomst. 'Heeft u de auto's in Opper-Silezie al gezien? Elke derde heeft een Duits kenteken.'

De burgemeester heeft het laten afweten, tot grote teleurstelling van de feestvierders. 'Hij doet het in de broek van angst', zegt een vrouw uit het zangkoor. 'Hij is bang voor straf uit Oppeln, van de Poolse gouverneur.' De eerste burger van Szczedrzyk gaat problemen liever uit de weg. Hij heeft de boekhouder van de dorpsraad gestuurd, die zich bij de eregasten op het podium voegt. Naast hem staat de dorpspastoor een dikke man wiens lichaam de vorm heeft van een peer die al eveneens bedrukt kijkt in zijn lange zwarte kleed. De pastoor spreekt Duits, maar hij weet dat de bisschop in Opole en de kardinaal in Warschau niet veel van de Duitse minderheid moeten hebben. De katholieke kerk heeft de voorbije decennia vooral 'Poolse pastoors' naar Opper-Silezie gestuurd: de kerk zou het gebied 'verpoolsen'.

'Hij is eigenlijk 'einer von uns' maar hij gedraagt zich als een 'richtiger Pole'. Zo'n pastoor met een Pools zangboek en een zweep', zegt de organisator van het oogstfeest, terwijl de pastoor tijdens de pauze weer naar huis gaat. 'Kijk, de 'fette Pfarrer' heeft altijd oogstfeest', merkt een vrouw schamper op over de 'gezant van God' die van de boeren uit de omgeving vlees, aardappelen en groente krijgt en tijdens de zondagsmis geld van de kerkgangers.

Boycot

Er heerst al maanden een vete tussen de pastoor en de leden van de Duitse minderheid die eisen dat de mis in het Duits wordt opgedragen. De pastoor wringt zich echter in alle bochten om daaraan te ontkomen, hij vreest voor 'Strafversetzung' door de bisschop in Opole. De pastoor heeft het kerkbestuur afgezet, neemt eigenmachtig besluiten en hij heeft de bijdrage voor de gereserveerde zitplaatsen bij het orgel, een soort eretribune, verhoogd. De kerkleden dreigden met een boycot, en een gepaste vermindering van de materiele afdracht aan de pastoor, een uiterst effectief dreigement.

In juli stond de pastoor toe dat, na een bijeenkomst van de Duitse minderheid, in de kerk enkele liederen werden gezongen in het Duits. De volgende dag had hij al berouw van zijn concessie: vandalen hadden in de nacht de graven bij de kerk en op het kerkhof geschonden, veel grafstenen waren kapotgeslagen, de bloemen vertrapt. De Duitse minderheid in het dorp wees direct met een beschuldigende vinger naar bewoners van het nabijgelegen stadje Ozimek, in meerderheid Polen die werken bij een staalfabriek. En volgens de Schlesische Nachrichten, het lijfblad van de minderheid dat wordt uitgegeven door de Duitse Bund der Vertriebenen, was wel duidelijk in welke kringen de daders moesten worden gezocht: 'Polnische Chaoten', voor de meeste 'Poolse Duitsers' overigens een pleonasme. Op de ochtend van het oogstfeest werd de pastoor echter weer gevraagd de mis in het Duits te houden. Hij weigerde ('Daar komt alleen rotzooi van'), maar deed na enig nadenken alsnog een concessie met het oogstlied 'O, Speise der Engel'.

De feestvierders van Szczedrzyk bespotten de pastoor en loven de spijzen als ze later op de middag worst eten en grote glazen bier achteroverslaan. Aan lange tafels worden volop 'Polenmoppen' getapt en gedichten voorgedragen waarbij Polen het mikpunt is ('In Polen ist nichts zu holen'). Voor de oude inwoners van 'Hitlersee' kan het eerste Duitse oogstfeest niet meer stuk. Trots en vol zelfvertrouwen zingen ze, achter borden met gebak uit Silezie, hun lijflied: 'So ein Tag, so wunderschon wie heute, so ein Tag durfte nie vergehen.'

Kerkgang in Szczedrzyk: vete tussen de pastoor en de Duitse minderheid over een Duitstalige mis

Foto Derk-Jan Eppink