Nu een ander onderwerp; De brieven van Dostojewski

Er zijn van Dostojewski ruim negenhonderd brieven bewaard gebleven. In ruw geschat driekwart daarvan komt het onderwerp geld ter sprake. Wie de Russische complete uitgave van de brieven doorbladert, wordt direct getroffen door de grote hoeveelheid getallen in de tekst. Deze betreffen bijna zonder uitzondering geldbedragen: in roebels, marken, talers en franken, Zwitserse of Franse. De brieven zonder getallen zijn op een enkele uitzondering na kort, het zijn meestal beleefdheidsbriefjes, gelukwensen en dergelijke.

Bij de enkele jaren geleden verschenen keuze uit de brieven van Toergenjew kon samensteller Karel van het Reve schrijven dat hij had gestreefd naar een zo groot mogelijke verscheidenheid aan onderwerpen. Bij Dostojewski is een dergelijk streven onmogelijk. Er is maar een onderwerp: Dostojewski heeft geld nodig en verzoekt de geadresseerde hem dit zo niet diezelfde avond, dan toch in ieder geval de volgende ochtend vroeg te sturen. Geadresseerden, argumenten, omstandigheden en bedragen verschillen, maar niet de strekking. Een willekeurig gekozen fragment uit een brief van 23 mei 1867 aan zijn tweede vrouw Anna kan als voorbeeld dienen. Dostojewski was pas enige maanden tevoren met haar in het huwelijk getreden. Het jonge echtpaar was Dostojewski's vijandige familieleden en schuldeisers in Petersburg ontvlucht en verbleef in Dresden vanwaar Dostojewski zonder Anna een kort uitstapje naar Homburg maakte om zijn geluk weer eens aan de roulette te beproeven.

'Ik schrijf je maar een paar regeltjes, snel even: ik haast me naar de post, misschien is het je al gelukt geld op te sturen en krijg ik het vandaag al. En dat is heel hard nodig. Ik heb geen cent meer en vandaag zal het hotel zeker met de rekening komen, omdat ik hier vandaag precies een week ben en ze alle rekeningen wekelijks opmaken. Maar als ik het vandaag niet krijg is er niets aan te doen, dan houd ik het nog wel een etmaal uit, maak je geen zorgen, liefste. En nog iets: gisteren is het plotseling koud geworden, ja, abnormaal koud zelfs, het waait en regent de hele dag. Vandaag regent het weliswaar niet, maar het is somber, winderig en erg koud. Ik weet niet hoe het kwam, maar gisteren heb ik kou gevat op mijn oor en tegen de avond kwam er nog kiespijn bij. Een minuut of vijf was het zelfs een stekende pijn. De hele avond heb ik binnen gezeten en gelegen, gewikkeld in wat er voorhanden was. Nu is de kiespijn vandaag weliswaar overgegaan, maar mijn oor is nog niet helemaal goed en als ik dus opnieuw kou vat krijg ik ook weer kiespijn.'

We zien hier de twee andere onderwerpen die naast het geld, als een soort begeleiding bij het hoofdthema, Dostojewski's brieven beheersen: zijn slechte gezondheid en het slechte weer. Dostojewski voelt zich altijd beroerd hij leed aan epilepsie, maar was daarnaast voortdurend verkouden, koortsig, had keelpijn, kiespijn, oorpijn, hoofdpijn, pijn in de borst, zijn zenuwstelsel was 'geprikkeld' en een enkele keer wordt ook zijn aanleg tot verstopping ter sprake gebracht. En dan het weer: waar Dostojewski verscheen in Petersburg, Moskou, Dresden, Homburg, Ems, Berlijn, Geneve, Vevey of Parijs daar viel de regen bij bakken uit de hemel en was het guur en koud.

Anna had het de eerste jaren van hun vier jaar durende verblijf buitenlands hard te verduren, want aan de roulette liet het geluk Dostojewski meestal in de steek, welke onfeilbare systemen hij ook uitdacht. Op 24 mei 1867 (een dag na de hierboven geciteerde brief) luidt het: 'Anja, liefste, mijn vriendin, mijn vrouw, vergeef me, noem me geen schurk! Ik heb een misdaad begaan, ik heb alles verspeeld wat je me had gestuurd, alles, alles, tot op de laatste kreuzer, gisteren heb ik het ontvangen en gisteren heb ik het verspeeld.' En in die trant gaat het door, enige jaren en vele brieven lang, tot Dostojewski door de zachte drang van zijn vrouw eindelijk van zijn gokverslaving was genezen.

Alledaags

Ondanks hun zakelijke karakter zijn de brieven fascinerende lectuur. Dostojewski vraagt nooit zo maar om geld. Hij doet altijd uitvoerig de omstandigheden uit de doeken die tot het geldgebrek hebben geleid en tevens welke ingenieuze constructie hij heeft bedacht om binnen korte termijn terug te betalen. Dit alles zeer gedetailleerd, waarbij en passant alle dingen die hem verder nog bezighouden worden aangesneden. Brieven waren voor Dostojewski geen verlengstuk van zijn literaire werk. Hij doet geen enkele poging tot fraaie formuleringen, alles is geschreven zoals het in hem opkwam. Zijn brieven behoren tot de alledaagse, zakelijke kant van zijn bestaan, waarin hij tussen de financien door over van alles en nog wat wil uitweiden als het maar niet over zijn werk is. Het werk waar hij op dat moment mee bezig is, wordt meestal met 'de roman' aangeduid. We vernemen dat het boek slecht vordert, dat er voor 1 februari nog zo en zoveel vel geschreven moet worden, wat waarschijnlijk niet zal lukken gezien zijn slechte gezondheid, dat het voorschot a zoveel roebel al praktisch op is en dat er voorlopig geen andere inkomsten zijn te verwachten zodat hij niet weet waarvan hij tot 1 februari moet leven en of het daarom niet mogelijk is om... etc. Maar geen woord over het boek zelf. Een uitzondering is de brief van 20 oktober 1870 aan zijn uitgever Katkow, waarin hij de inhoud van Boze Geesten uiteenzet. Maar dit boek, dat speelt in kringen van links-radicale terroristen, zat hem dan ook zeer hoog. Hierna volgt echter onvermijdelijk de lezer had hem al veel eerder verwacht de zin: 'Nu een ander onderwerp.'

Keuze en commentaar tezamen resulteren in een biografie in brieven. We zien Dostojewski als student aan de opleiding voor genie-officieren, waar hij zich bekwaamde in vakken als Fortificatie, Artillerie en Geodesie. En als beginnend literator wiens debuut Arme Mensen een groot succes werd dat door invloedrijke critici als Belinski de hemel in werd geprezen: 'De heren (Toergenjew en Belinski, A. L.) weten gewoon niet hoe ze van me moeten houden. Werkelijk iedereen is verliefd op mij. Met mijn schulden is het nog hetzelfde', schrijft hij in die tijd aan zijn broer. We zien zijn arrestatie in 1849, omdat hij behoorde tot de kennissen van de socialist Petrasjewski en de beroemde nep-executie, waarbij de leden van de Petrasjewski-groep voor het vuurpeloton werden geleid en pas toen gratie kregen. Zijn dwangarbeid in Siberie en daarna zijn verbanning naar Kazachstan, eerst als soldaat, later als officier. Zijn eerste huwelijk daar met Maria Dmitrievna. Zijn terugkeer naar Petersburg en de moeizame hervatting van zijn schrijverscarriere. Het rampjaar 1864 waarin kort na elkaar zijn vrouw en zijn lievelingsbroer Michail stierven en waarin hij de grootste fout van zijn leven beging door al Michails schulden (deze was eigenaar van een kortgeleden failliet gegaan tijdschrift) op zich te nemen, iets dat helemaal niet nodig was en hem praktisch heeft geruineerd. Zijn verhouding met de feministische Apollinaria Soeslowa en huwelijk vervolgens met Anna Snitkina, de stenografiste aan wie hij De Speler dicteerde. Hun vlucht naar het buitenland, het rondtrekken door Europa en zijn gokverslaving. En ten slotte hun terugkeer naar Rusland, begin jaren zeventig, waar hij de laatste tien jaar van zijn leven in betrekkelijke rust doorbracht, als liefhebbend vader en echtgenoot en als gevierd schrijver. Zijn financiele problemen waren nog niet helemaal voorbij, maar Anna hield de touwtjes stevig in handen, zodat het gezin in betrekkelijke welstand kon leven.

In de brieven van de laatste jaren wordt het thema geld iets minder overheersend, er is nu plaats voor andere onderwerpen. Dostojewski kreeg veel brieven van bewonderaars, die hij zeer serieus beantwoordde. Hij adviseert goede boeken om te lezen, bewijst in twee kantjes de onsterfelijkheid van de ziel of doet zijn best een arme man aan een ambtenarenbaantje te helpen. Ook over zijn eigen stokpaardjes mag hij graag uitweiden. In zijn laatste jaren is hij een fervent slavofiel geworden die in het Russisch-orthodoxe geloof, maar vooral in Jezus en in het Russische volk (dat volgens hem Jezus als geen ander begreep) de redding van de wereld zag, en die een vreselijke hekel had aan socialisten, liberalen hij was hierdoor gebrouilleerd geraakt met de gematigde Toergenjew die hem eerst zo had geprezen en aan joden, die in de visie van de slavofielen een bedreiging vormden voor de zuiverheid van het Russische volk: 'Want de jood en zijn jodenlawaai, dat is niets anders dan een samenzwering tegen de Russen!' schrijft hij in 1878 aan een bewonderaar en het is niet de enige anti-semitische uitlating in zijn brieven. Maar Duitsers, Zwitsers en 'linkse' Russen komen er niet veel beter af.

Roem

'Dostojewski is de eerlijkste briefschrijver ter wereld', schrijft Van het Reve op de achterflap, en dat is volkomen juist. Het mooie van deze brieven is dat Dostojewski zich er geen moment beter in voordoet dan hij in werkelijkheid is. Bij de beschrijving van zijn grootste triomfen laat hij oprecht merken hoe verheugd hij is: 'Neem me niet kwalijk liefste broer; ik zeg je openhartig dat ik bijna bedwelmd ben door mijn eigen roem', schrijft hij in 1845 aan Michail; ook zijn grootste triomf, zijn optreden op het Poesjkinfeest in juni 1880 waar heel Moskou letterlijk aan zijn voeten lag, beschrijft hij op diezelfde toon van iemand die innig tevreden is met zijn succes, maar zich het hoofd niet op hol heeft laten brengen. Ironie was hem vreemd, maar nuchter was hij wel wanneer het om hemzelf ging.

Dostojewski komt uit deze brieven naar voren als een tamelijk sympathiek, maar moeilijk mens. Hij heeft iets van een kankeraar, een misantroop, maar zijn misantropie richtte zich hoofdzakelijk tegen hele volkeren of groepen, de Duitsers, de joden, de socialisten etc. Individuele mensen, zelfs als zij Duitser of jood waren, kon hij oprecht waarderen en liefhebben (als ze maar geen socialist of liberaal waren). Hij had een voorkeur voor geemancipeerde vrouwen zijn tweede vrouw was daar een voorbeeld van en hij moet een brave huisvader zijn geweest. Twijfel aan eigen talent kende hij niet, hoewel hij niet altijd tevreden over zijn eigen werk was. Maar tijdsdruk, ziekte en zorgen maakten dat hij weinig tijd had om zijn werken nog eens goed over te lezen voor hij ze naar de uitgever stuurde. Het mag een wonder heten dat zijn boeken nog zo goed in elkaar zitten.

En dan het geld. Dostojewski verdiende vanaf het begin redelijk tot zeer goed met zijn werk. In zijn jonge jaren kreeg hij 150 roebel per vel (16 bladzijden), later liep dit op tot 300. Bovendien dreef Anna nog een uitgeverijtje en verzendboekhandel. Voor Misdaad en straf kreeg hij 14.000 roebel, een vermogen in die jaren. Ook in zijn bedelbrieven gaat het dikwijls om bedragen in de orde van grootte van 2000 roebel. Maar zelf riep hij zijn stiefzoon Pawel streng tot de orde omdat deze een betrekking voor 75 roebel per maand te min vindt. Pawel is dan al bijna dertig en heeft een gezin. Elders weigert hij Pawel, die een mislukkeling was, een bedrag van 30 roebel, omdat hij dat niet kan missen. Ook zijn broer Nikolaj, die aan de drank was, wordt afgescheept met 6 roebel.

Dostojewski preekt graag bij anderen de zuinigheid die hijzelf nooit heeft kunnen opbrengen. Hij was een burgerman die meende recht te hebben op de levenswijze van een aristocraat, compleet met kuren en roulette in het buitenland en die het, net als de aristocraten, normaal vond om meer geld uit te geven dan hij binnen kreeg. Maar Dostojewski had geen boeren die hij uit kon knijpen en geen landgoederen waar hij een hypotheek op kon nemen. Hij kon alleen maar roofbouw plegen op zichzelf.

De vertaling van deze brieven is heel goed. Het commentaar is, zoals we dat van Karel van het Reve gewend zijn, kort, ter zake en licht ironisch. Alleen is vader Dostojewski niet in 1838 dood gegaan zoals het commentaar meldt, maar in 1839, en is Gontsjarov niet in 1821 geboren, maar in 1812. Vreemd is het ontbreken van een nawoord, zoals de brieven van Toergenjew en Poesjkin wel hebben. Een kort overzicht van Dostojewski's levensloop zou voor de onvoorbereide lezer geen overbodige luxe zijn. En ook een overzicht van de koersen van de verschillende valuta had niet mogen ontbreken.