Juristen: slachtoffers drs. F. moeten in beroep getuigen

AMSTERDAM, 19 okt. Het recht van verdachten om tijdens de terechtzitting zelf vragen te stellen aan getuigen of slachtoffers mag niet worden aangetast. De wens om slachtoffers te sparen voor een nieuwe confrontatie met de verdachte mag er niet toe leiden dat het zoeken naar de waarheid wordt belemmerd.

Dat schrijven de Utrechtse juristen mr. C. van Bavel en mr. R. Verbunt in het jongste nummer van het Nederlands Juristenblad. Zij reageren op de uitspraak van de procureur-generaal in Arnhem dat tijdens de behandeling van het hoger beroep in de zaak drs. F. de getuigen 'vanwege hun emotionele gesteldheid' niet zullen verschijnen. F. is de voormalig directeur-psychiater van de Heldringstichting in Zetten. Hij werd in mei door de rechtbank in Arnhem veroordeeld tot zes jaar gevangenis wegens seksueel misbruik van pupillen. De rechtbank verbood F. bovendien gedurende elf jaar het beroep van geneeskundige uit te oefenen. Het hoger beroep dient op 30 oktober.

Namens F. was verzocht een aantal getuigen opnieuw te horen. In zedenzaken heeft een verdachte het recht om tijdens de zitting zelf vragen te stellen aan getuigen/ slachtoffers. Aan dat recht mag niet worden getornd uit mededogen met de slachtoffers, aldus Van Bavel en Verbunt. Volgens hen dreigt het belang van de verdachte te worden achtergesteld bij dat van slachtoffer/ getuige. 'Opvang en begeleiding van de slachtoffers moet echter buiten het strafproces plaatsvinden. De meest kenmerkende functie van het strafproces is immers de materiele waarheidsvinding. Die verdraagt zich wellicht slecht met de zorg voor slachtoffer/ getuige die de maatschappij eveneens verplicht is te geven, maar dient altijd te prevaleren, ' schrijven zij.