Ik haatte de mambo

Oscar Hijuelos, Amerikaans auteur van Cubaanse afkomst, wilde een boek schrijven dat klonk als een mambo, met een hoofdlijn, met een thema dat als een refrein telkens herhaald wordt, en met 'jamsessies' waarin de verschillende lijnen bij elkaar komen. Dat lukte. 'Zelfs de seksscenes zijn bedoeld als saxofoonimprovisaties.' The Mambo Kings Play Songs of Love werd een internationaal succes.

'Dit is een van mijn laatste interviews voor een lange tijd. Dus laten we er wat van maken'. De Amerikaanse schrijver Oscar Hijuelos is de publiciteit moe. Een half jaar geleden won hij de gezaghebbende Pulitzer Prize voor zijn tweede roman, The Mambo Kings Play Songs of Love. Sindsdien heeft hij naar eigen zeggen 'te veel gepraat en te weinig geschreven'. Het succes van zijn boek maakte hem tot publiek bezit in de Verenigde Staten, en maakte een Europese tournee noodzakelijk die hem onder meer naar de Frankfurter Buchmesse voerde. Voordat hij terugvloog naar New York bracht hij ook een kort bezoek aan Amsterdam, waar vorige week een uitstekende vertaling van The Mambo Kings werd gepresenteerd. Ter gelegenheid daarvan demonstreerde Hijuelos in een commerciele televisiestudio de principes van de mambo op de gitaar, en gaf hij interviews aan uiteenlopende bladen.

Het zal niet vaak voorkomen dat een schrijver achtereenvolgens wordt geinterviewd door NRC Handelsblad, de voormalige muziekkrant Oor en het 'lifestyle' blad Playboy, maar in het geval van Hijuelos ligt het voor de hand. Zijn Mambo Kings is niet alleen een literaire sensatie, gepassioneerd geschreven en verrassend opgebouwd, maar ook een boek waarin muziek en seks een even vooraanstaande rol spelen als ontheemding en melancholie.

Wat mij betreft is The Mambo Kings Play Songs of Love een van de aantrekkelijkste Amerikaanse romans van het afgelopen decennium. In een originele stijl die voor de verandering eens niet herinnert aan vaste ijkpunten als Faulkner, Kerouac of Hemingway beschrijft Hijuelos de opkomst en ondergang van de gebroeders Castillo, twee in 1949 geemigreerde Cubanen die het in de hoogtijdagen van de mambo ('new wave voor new wave') zelfs brengen tot een muzikaal gastrolletje in de I Love Lucy show. Het grootste gedeelte van het boek bestaat uit de herinneringen van Cesar Castillo aan de mooie jaren vijftig in New York toen hijzelf nog de grote vrouwenversierder was, en zijn broer Nestor nog niet kapot was gegaan aan zwaarmoedigheid.

The Mambo Kings Play Songs of Love laat zich het best beschrijven als de romantische bolero waarmee de Mambo Kings furore maken: 'Een lied over een liefde die zo ver weg is dat het pijn doet; een lied over de vreugde van vroeger, een lied over de jeugd, een lied over een liefde zo ongrijpbaar dat je nooit weet waar je aan toe bent'. Het is een muzikaal boek. Je kunt het lezen zoals je luistert naar een plaat met favoriete muziek: het geeft niet op welk punt je hem opzet, en als hij is afgelopen begin je weer van voren af aan.

Hijuelos: 'Ik wilde een boek schrijven dat je bij wijze van spreken achterstevoren kon lezen. Tot de laatste drukproeven heb ik zitten schuiven met de verschillende scenes. Wat mij voor ogen stond was een collage, maar dan wel een waarover de lezer niet zou struikelen. Ik ben geen experimentalist, en ik wil niet het slachtoffer worden van een formule.

'Het boek is inderdaad als een mambo, met een hoofdlijn, met een thema dat als een refrein telkens herhaald wordt, en met 'jamsessies' waarin de verschillende lijnen bij elkaar komen. Zelfs de seksscenes zijn bedoeld als saxofoonimprovisaties. En de voetnoten die in het begin van het boek door de tekst heen spelen, moeten suggereren dat er verschillende stemmen tegelijk klinken. Toen ik begon te schrijven heb ik zelfs geprobeerd om, door middel van het kort op elkaar herhalen van woorden en zinnen, het ritme van de mambo te benaderen. Daar heeft mijn uitgever me van weerhouden. Maar toen het boek af was, bleek dat dat ritme er hoe dan ook inzat.'

Doorrookt

Oscar Hijuelos, in 1951 geboren aan de 118de Straat op Manhattan en opgegroeid aan Amsterdam Avenue ('een letterlijk kleurrijke buurt aan de rand van Spaans Harlem'), praat een beetje als de mambo: associatief, met veel herhalingen en geimproviseerde uitwijdingen. Hij heeft een doorrookte stem met een vet Newyorks accent en ziet er onverwacht onopvallend uit. Hij is noch de mafioso met zonnebril en achterover gekamd haar die staat afgebeeld op de Engelse editie van The Mambo Kings, noch de schaapachtige intellectueel van de achterflap van de Nederlandse vertaling. En niets in zijn verschijning of taalgebruik herinnert aan zijn Cubaanse afkomst.

'Mijn ouders emigreerden in 1943, niet uit nood maar omdat ze meer van de wereld wilden zien. In die tijd was er nog geen grote Cubaanse gemeenschap in New York, en was Engels overal de voertaal. Cubanen wilden zich aanpassen en lieten hun kinderen Engels leren. Toen ik jong was wilde ik zo Amerikaans mogelijk zijn; ik heb heel lang tegen de cultuur van mijn ouders aangeschopt. Ik haatte de mambo en hield juist van rock 'n' roll. Bij die wereld wilde ik horen. Maar helemaal Amerikaan werd ik nooit, en helemaal Cubaan ben ik nooit geweest. Daarover gaat ook mijn eerste boek, Our House in the Last World: over opgroeien en niet weten waar je bij hoort'.

The Mambo Kings is de eerste Latino-Amerikaanse roman die de Pulitzer Prize won. Critici beschouwen u als een 'etnisch schrijver'. Voelt u zich een Cubaans-Amerikaanse schrijver, zoals Alice Walker een Afrikaans-Amerikaanse en Saul Bellow een Joods-Amerikaanse schrijver is?

'Ik beschouw mijzelf voor alles als een schrijver uit de werkende klasse. Natuurlijk put ik veel inspiratie uit de ervaringen van mijn ouders als immigranten en die van mijzelf als kind van de tweede generatie. Maar het wereldje dat ik beschrijf is niet specifiek Cubaans: eerder Newyorks. Hoewel je als onbemiddeld immigrant altijd een tweederangs burger was, herinner ik mij het New York van vroeger als iets heel indrukwekkends: een plaats waar niemand werkloos hoefde te zijn en waar je goed kon leven zonder dat je rijk was'.

Heeft u, net als de Mambo King Cesar Castillo, heimwee naar het New York van de jaren vijftig?

'Absoluut. Vroeger had ik altijd het idee dat ik afkomstig was uit een klein provinciestadje in een land dat New York heette. Maar dat oude New York, een verzameling van buurten met een eigen karakter, is verdwenen. De stad is onbeschrijflijk verloederd. Ik kan mij nog herinneren dat oude vrouwtjes avondwandelingen maakten in Central Park. Straten en parken werden nog gezien als openbare ruimtes waarvoor de burgers samen verantwoordelijk waren; tegenwoordig doen de mensen letterlijk alles waar ze zin in hebben laat de gemeente zich maar bekommeren om de rotzooi, after all this is a free country.

'Toen ik klein was, was er ook lang niet zoveel geweld. Er waren wel bendes, maar het was een zeldzaamheid als er eens iemand werd vermoord. New York was veiliger, en vooral schoner. Zelfs de ondergrondse: de mafia controleerde de vergunningen voor de kiosken en de kauwgomautomaten, maar de treinen reden door ordelijke stations. In de jaren zestig is de gemeente er in geslaagd om de mafia te verdrijven. Het resultaat was desastreus, zoals wel vaker wanneer Amerika heel naief het goede probeert te doen. De corruptie is verdwenen, maar er is verval voor in de plaats gekomen. En dat verval is kenmerkend voor de hele stad. New York is als het Londen van Dickens: barstend van het leven, vol van corruptie en seks. Soms jeuken mijn handen om een Dickensiaanse roman over de stad te schrijven.

Zoals Tom Wolfe heeft gedaan in zijn Bonfire of the Vanities?

'Ja, maar die wist volgens mij niet waarover hij het had. Wolfe is een rijke schrijver, een journalist die van bovenaf op alles neerkijkt, geen sympathiserend genie zoals Dickens. Je moet een zijn met je materiaal. Laatst maakte ik nog iets heel erg dickensiaans mee. In het appartement naast mij woonden drie oude dames die kort na elkaar dood gingen. Nog voordat de flat was leeggehaald en schoongemaakt, werden hun matrassen gestolen door een uitdrager die boven ons woonde. Twee uur later werden ze op Broadway verkocht, voor vijf dollar per stuk nota bene de bedden waarin mijn buren waren overleden!'

New York, en vooral de Cubaanse subcultuur van na de oorlog, is voor u een bron van inspiratie. Maar wat maakte van een kansarme immigrantenzoon een schrijver?

'In ons gezin groeiden wij op met wat ik de mythe van de creativiteit noem. Mijn moeder schreef prachtige gedichten en mijn broer en ik kregen altijd verhalen te horen over onze grootvader, die dichter en operazanger was. Hoewel er bij ons thuis geen boeken te vinden waren, zorgden onze ouders er wel voor dat ik naar een goede school kon. Daar begon ik te lezen: Conrad en Lawrence, schitterende gekwelde persoonlijkheden, en Borges, die ik in The Mambo Kings nog een klein rolletje heb gegeven. Op de universiteit ben ik voor het eerst proza gaan schrijven. De letterenfaculteit van City College had een geweldige staf: Anthony Burgess, Susan Sontag, Joseph Heller, William Burroughs. Het heeft me jaren gekost voordat ik mijn eigen stijl vond. De ideeen van mijn literatuurdocenten waren heel formalistisch; ik wilde veel vrijer en emotioneler schrijven. Ik schrijf ook helemaal niet als de auteurs die ik bewonder.'

Het overheersende thema in The Mambo Kings is nostalgie. Nestor en Cesar kunnen niet loskomen van het verleden. Is dat de reden dat ze in het land van de toekomst, Amerika, het geluk niet vinden?

'Ik wil u geen briljante inzichten opdringen, maar volgens mij is het belangrijkste element in het boek het noodlot, de voorbeschikking. Aan het eind van zijn leven ligt Cesar opgebrand en doodziek op een hotelkamer; hij zwelgt in zijn herinneringen, en bedenkt dat hij zijn leven misschien anders had moeten inrichten. Tegelijkertijd beseft hij een ding heel goed: als hij opnieuw mocht beginnen, zou hij alles precies zo doen. De gebroeders Castillo zijn gedoemd om hun leven bijna willoos te leiden. Vooral Nestor wordt gedicteerd door zijn Cubaanse verleden. Hij probeert eraan te ontsnappen door zichzelf een Amerikaanse mentaliteit aan te meten. Daarom loopt hij altijd met het (overigens niet-bestaande) boekje Forward America! van D. D. Vanderbilt op zak.

'Voor de Cubanen in mijn boek is het verleden even belangrijk als de tegenwoordige tijd. Door hun herinneringen lijkt het alsof ze voortdurend in verschillende tijden leven. Dat is lastig in een cultuur die zo monomaan op de toekomst gericht is als de Amerikaanse. Bovendien zijn de Mambo Kings gevangenen van hun eigen persoonlijkheid. Cesar heeft het imago van un macho grande, Nestor dat van un infeliz - een ongelukkige. Maar in wezen belichamen ze twee kanten van hetzelfde gekwelde karakter. De een zoekt vergetelheid door te drinken en zoveel mogelijk vrouwen in bed te krijgen, de ander zwelgt in zijn melancholie en verliest zich in zijn kunst. Veel critici hebben geschreven dat Nestor en Cesar de polen vertegenwoordigen waartussen Cubaanse Amerikanen zich bewegen. Maar hoewel ik van sommige Cubanen heb gehoord dat ze zich in de Mambo Kings herkennen, lijkt me dat een onzinnige conclusie'.

Hoe libertijns The Mambo Kings ook is, het wordt verfilmd met Kevin Kline in de rol van Cesar. Bent u betrokken bij het maken van de film?

'Ik krijg van tijd tot tijd het script te lezen en mag dan commentaar geven. Misschien krijg ik zelf de rol van Pablo, de verre neef die de Castillo's wegwijs maakt in New York. De film beschrijft niet meer dan twee jaar uit het leven van de Mambo Kings: hoe ze hun orkest opzetten, op wie ze verliefd worden, wat Cesars reactie is op het ongeluk van Nestor. Het is een film van herinneringen, hoewel ze niet, zoals in het boek, eindeloos in het rond draaien. De seksscenes zijn er trouwens uitgehaald; dat zou niets zijn geworden. Seks is intiem en fantasievol, niet bedoeld als publiek spektakel. Ik beschouw het script ook niet als een knieval voor Hollywood. Voor mijn part maken ze er een Bugs Bunnie-film van. Mijn boek staat er volstrekt los van.'

Uw eerste twee boeken gingen over Cubanen in New York. Waar gaat het volgende over?

'Vrouwen in Amerika. Het heet Fourteen Sisters, en 'cubanisme' speelt er maar een kleine rol in. Ik wil eindelijk eens op een rijtje zetten wat ik werkelijk van Amerika vind, want zoals zoveel Amerikanen ben ik daar nog steeds niet achter. Dat betekent overigens niet dat ik van plan ben mij te wagen aan The Great American Novel. Dat soort pretenties bewaar ik veilig totdat ik oud ben.'