Hongaar Viktor Lois bestrijdt vertwijfeling met machines; Het muzikale leven van schroot

EINDHOVEN, 19 okt. Op de bodem van de oceanen, over mijlenlange afstanden, kunnen walvissen met elkaar converseren. Iets van die strekking meldde jaren geleden het tijdschrift National Geographic. Bij dezelfde uitgave kreeg je een grammofoonplaatje cadeau met de registratie van het zwaarmoedige vissegemompel. Walvissen hebben vaak en veel verdriet; dat kon je zo horen.

Diezelfde geluiden, maar dan voortgebracht door een complete 'walvissenfamilie', zijn morgen en zondag te beluisteren in kunstcentrum De Fabriek in Eindhoven. De Hongaar Viktor Lois (40) heeft er een klankinstallatie opgebouwd: zes instrumenten, waarvan op de gehele wereld geen equivalenten te vinden zijn. Met zijn mechanisch aangedreven, elektro-akoestische machines brengt hij oceanische treurzangen ten gehore, Tibetaanse symfonieen voor zo'n honderd hoornisten en het monotone geroezemoes van nog onbekende heelalbewoners. Dat zijn de associaties die opdoemen bij een eerste kennismaking. Geluiden, die men op deze planeet niet kan thuisbrengen.

Alle instrumenten zijn geconstrueerd uit wasmachine-trommels, autocasco's, douche-slangen, stofzuigers, liftpanelen, fietsstangen, Trabant-versnellingsbakken en wat dies meer zij. De werkruimte van Lois, ergens in een dorp buiten Boedapest, is het domein van een kieskeurig oud-ijzer-handelaar. Hij ontwerpt zijn 'nutteloze machines' niet op papier, hij componeert ze in zijn hersenen, en zoekt maandenlang naar schakelaars of gaskranen die een volgende instrumentengroep nodig heeft. Want uit het ene instrument komt het andere voort en aan het eind van een fase moeten ze het als groep met elkaar kunnen vinden.

Aanvankelijk maakte Lois meubels en voertuigen, de laatste jaren alleen nog maar muziekmachines, waarvan de klanken met microfoons en versterkers worden gemanipuleerd. In Eindhoven staan er zes, in Boedapest zijn de 37 andere instrumenten opgeslagen. Geen twee zijn aan elkaar gelijk. Ze ogen lomp, stoer en oerdegelijk. Ze lijken op een brei-apparaat, een superkanon of een ingenieuze trainingsfiets voor medisch onderzoek. De vormgeving is ondergeschikt aan de functie. Componist Adam Huszthy en collega Tibor Szemzo zorgen voor de partituren.

Eigenaardigheden

Wat brengt iemand ertoe om in een tijd van ongekende muzikale mogelijkheden op elektronisch gebied met wasmachines te gaan sjouwen en autokerkhoven af te struinen?

Viktor Lois: 'Ik ben gevormd in de jaren zestig, een tijd waarin niet alleen in West-Europa, maar ook in het geisoleerde Hongarije een grote drang opkwam naar vrijheid, naar grenzeloosheid, naar vrije expressie. Veel jonge mensen wilden zich aan maatschappelijke normen onttrekken, lazen boeken waarmee ze zich konden identificeren, spraken veel met elkaar. Ze waren op zoek naar een eigen, positieve levensvorm. Dat heb ik ook gedaan, ik heb in die tijd geleerd mezelf te accepteren met al mijn eigenaardigheden en sindsdien ben ik onaangepast gebleven. De samenleving heeft me dat niet in dank afgenomen, maar het is altijd een uitdaging geweest om niet in maar naast die samenleving te staan en er toch niet mee in botsing te komen. Een kwestie van gevoelig evenwicht.

'Nu in Hongarije een tijd van vrijheid is aangekomen, houden steeds meer mensen zich bezig met materiele zaken, ze bagatelliseren wat er in die jaren zestig is voorgevallen. Ze leven meer naar binnengekeerd dan vroeger, zijn eenzamer en ze lezen vooral pulp. Maar wat levert die materiele verzadiging en al die technologie uiteindelijk op? Vertwijfeling!

'Met mijn onbruikbare instrumenten wil ik laten zien dat een enkel mens over heel veel energie beschikt. Hij kan het complete instrumentarium van een symfonie-orkest ontwerpen. Met mijn eigen handen doe ik datgene waarvoor op ingewikkelde, onbestuurbare computers vele handelingen moeten worden verricht. Elk mens kan voor zichzelf kiezen, kan voor zichzelf iets maken'.

Viktor Lois lijkt fysiek net zo onverwoestbaar als zijn instrumenten. Als er in Hongarije indianen zouden leven, was hij hun opperhoofd geweest; zo streng en gebeiteld ziet zijn gezicht eruit. Hij wil geen kunstenaar heten, noch beeldhouwer of muzikant, want een opleiding daartoe heeft hij niet gehad. Na het gymnasium in de mijnbouwstad Tatabanya is hij typemachine-reparateur geworden en dat vak oefent hij nog steeds uit.

Maar hoe lang nog? Veel Hongaarse bedrijven, waaronder zijn werkgever, dreigen failliet te gaan. De bonzen van de vroegere staatsbedrijven kopen in het kader van de privatisering diezelfde bedrijven op, vertelt hij. Ze sluiten over de ruggen van de werknemers enorme hypotheken en leningen af, maar door wanbeheer of door het uitblijven van joint-ventures is het met zo'n onderneming al snel bekeken.

'Door mijn beroep ben ik van elk machine-onderdeel gaan houden. Ik bewonder de ontwerper en de maker. Ik breng hen een hommage door hun creaties opnieuw te gebruiken. Je moet een technisch verleden niet zo maar uitwissen. Straks kunnen andere mensen ook van mijn machines weer nieuwe exemplaren maken. Mijn werk is toch niet verkoopbaar, ik weiger volgens consumptie-normen te produceren'.

Pijlers

De mens heeft een diep verlangen om machines tot leven te brengen, zegt Lois. Het is ook een angstig verlangen; soms dreigen onderdelen niet meer naadloos aan te sluiten, soms weigeren ze de bedachte bewegingen te maken. En dan moet Lois ingrijpen. De Gigant II bijvoorbeeld, waarvan alle onderdelen van Eindhovense origine zijn samen wegen ze een ton bestaat uit twee reusachtige buizen van vier tot zes meter, omgeven door snaren en voorzien van een roestige klankkast. Aan weerszijden van de dwars op elkaar geplaatste pijlers zijn centrifuge-trommels gemonteerd. De buizen roteren, raken elkaar en brengen een ijselijke, ritmische samenklank voort. Met een lange ijzeren strijkstok manipuleert Lois de toonhoogte, zweept hij de cadans op.

Maar dat is niet alles. Aan weerszijden van de dikste buis, gemonteerd tussen de chassis van twee Citroens DS, dienen twee blazers plaats te nemen met elk een grotesk instrumentarium waaraan zes of acht metalen fluiten zijn bevestigd. Op de concerten zullen ook de pilaar-gitaar en de was-sirene optreden, een wasmachine-trommel met snaren aan binnen- en buitenkant, gemonteerd op een fietsgeraamte. De trappers zorgen voor de aandrijving. Het pianissimo lijkt op een panfluit, het fortissimo op een Afrikaanse 'dondertrom'.

'Mijn instrumenten moeten een breed spectrum van gevoelens bestrijken. Die tomeloze energie, die saamhorigheid van de jaren zestig wil ik weer voelbaar maken. Mijn doel is bereikt als hun vormen en hun klanken in het brein van de luisteraar een kleine verandering teweegbrengen, als men beseft dat de mens de vaardigheid bezit om dit alles met behulp van schroot te kunnen produceren. Die ambachtelijkheid dreigt verloren te gaan in de troep die ons nu overspoelt.

'Sommige klanken doen inderdaad oosters aan. In mijn gedachten roepen ze een diep universum op. Als iemand op zo'n moment mijn aura zou kunnen filmen, zou zou hij talloze kleuren zien. Maar de mooiste klank die ik ken, is straks niet in De Fabriek te horen. Dat is de monotone hartslag'.