Harry Mulisch kon er niet om lachen

Het was een werkelijk beschaafd gezelschap dat die desbetreffende vrijdagavond was bijeengebracht, bestaande uit politici en opiniekneders, kunstenaars en diplomaten. Het merendeel der Sozi's (Arie van der Zwan, Willem Duysenberg, Hans Kombrink, Wim Meijer, Ed van Thijn) zat op de trap. Onder de aanwezigen bevonden zich verder ik verplaats mij nu even in de rol van societyreporter Joris Voorhoeve, Hans van den Broek, Andre Spoor, Jos van Kemenade, Frits Bolkestein, Elco Brinkman, Sjeng Kremers, Pierre Vinken, Herman Bleich, Rene van der Linden, Pieter Winsemius, An Salomonson, Rob Soetenhorst, Judith Belinfante, Aad Kosto en Wim Kok. Geen ambassadeur die er al zijn leven in slaagt een dergelijke collectie persoonlijkheden bijeen te sprokkelen. Behalve Otto von der Gablentz, de scheidende ambassadeur van het verenigde Duitsland. Zeker, wij, min-of-meer verlichte Nederlanders schamen ons allemaal enigszins voor onze nog steeds moeilijk te beteugelen anti-Duitse sentimenten. Bij Von der Gablentz zijn dit soort sentimenten kansloos. Hij werd trouwens door een ieder teder Otto genoemd, wat mij een unicum in het diplomatieke verkeer lijkt. Weemoedig werden hij en zijn vrouw uitgewuifd, naar Israel, een land waarin voor een Duitse ambassadeur eveneens genoeg missie-arbeid te verrichten valt.

Von der Gablentz en zijn echtgenote zijn zonder enige concurrentie 'het populairste ambassadeurspaar van na de oorlog' constateerde 's anderendaags mijn collega-societyreporter Stan Huygens in De Telegraaf. Hij zat drie stoelen achter Harry Mulisch 'en heb hem de hele avond niet een keer zien lachen. Ik vrees dat de grote schrijver geen humor heeft. Hetgeen ook uit zijn boeken blijkt.' De verslaggever had zich, in tegenstelling tot de schrijver, wel vermaakt bij het optreden van de 'de grote cabarietiere Lore Lorentz', leading lady van het Dusseldorfer gezelschap 'Das Kommodchen', die 'het Grootduitse rijk met citaten van Heinrich Heine' te lijf was gegaan. Het spijt me voor Huygens en het spijt me voor Heine, maar Mulisch had groot gelijk. Er viel om deze, met sleetse routine en de maatschappelijke aangebrandheid van de jaren zestig voorgedragen, Heinecollage niet of nauwelijks te lachen. Het was niet Heines schuld, die bij leven en welzijn af en toe heel geestig uit de hoek kon komen. Maar een schrijver van cabaretteksten over de fundamentele verdorvenheid van het Duitsland van Helmut Kohl was hij nu eenmaal niet, al was het alleen al omdat de dichter in 1856 overleden is, in een jaar dat zelfs de betovergrootvader van Helmut Kohl nog geboren moest worden. De pianist pingelde enige inleidende noten tot het volgende Heinefragment: de inleidende woorden tot 'Deutschland, ein Wintermarchen'. 'Im traurigen Monat November war's / Die Tage wurden truber, / Der Wind riss von den baumen das Laub, / Da reist'ich nach Deutschland hinuber.'

Het Duitsland van anderhalve eeuw geleden, dat samenraapsel van vier dozijn staten en staatjes, bestuurd door evenveel minipotentaten, militair in de rug gedekt door hun privelegertjes, terwijl de intelligentsia door de alom aanwezige censuur werd gekneveld, dezelfde censuur die een der oorzaken was van Heines besluit naar het libertaire Parijs uit te wijken. De voordrachtskunstenares was inmiddels bij de Frans-Duitse grens beland, waar Heine enige beroemde dichtregels aan de Pruisische douaniers heeft gewijd: 'Beschnuffeltenalles, kramten herum / In Hemden, Hosen, Schnupftuchern; / Sie suchten nach Spitzen, nach Bijouterien, / Auch nach verbotenen Buchern. / Ihr Toren, die Ihr im Koffer sucht / Hier werdet ihr nichts entdecken! Die Kontraband, die mit mir reist, / Die hab'ich im Kopfe stecken.'

Levendige bijval, voornamelijk van de zijde der aanwezige Duitsers. Het bewees al met al het tegendeel van wat de declamatrice beoogde: Heine is tegenwoordig ten Oosten van Oldenzaal een veelgelezen dichter en geenszins een door de geestelijke onderwereld naar de zijlijn gedirigeerd kunstenaar, die bijvoorbeeld in zijn geboortestad Dusseldorf...

'Want als je bij ons in de Bolkerstrasse naar Heines geboortehuis zoekt', sprak mevrouw Lorentz, terwijl haar warme alt een paar octaven daalde, 'dan merk je tot je ontsteltenis dat daarin tegenwoordig een biertapperij is gevestigd.' Daarmee leek andermaal de fundamentele onverbeterlijkheid van het Duitse volk geleverd. Het is echter een bewijs van niks. Toegegeven, de discussie over de vraag of de plaatselijke universiteit al dan niet naar Heinrich Heine moest worden vernoemd had dubieuze kanten.

Voor de rest heeft Heine geen reden om zich over zijn stadgenoten te beklagen. De belangrijkste boulevard van de gemeente, de Heinrich Heine-Allee, draagt zijn naam. Drie straathoeken verder, in een plantsoentje, staat sinds enige jaren een prachtig, eigentijds Heinemonument. In de Bolkerstrasse moge te zijner ere voornamelijk bier worden gedronken, elders in de binnenstad, in de Bilkerstrasse, is het Heinrich Heine-Instituut gevestigd, een museum-archiefstudiecentrum waarin op het hoogste niveau de Heinrich Heinekunde wordt bedreven. Volwassen wetenschappelijk onderzoek naar een auteur die, ofschoon links en dwars, joods en liberaal, na de val van het Derde Rijk tot veler verbazing langzamerhand een der meestgelezen klassieken uit het Duitse taalgebied is geworden. Tenslotte sprak Heine, via zijn declamerende stadsgenote, nog enige woorden over de Duitse eenheid. Het bindmiddel van alle knevelaars, of het nu de bestuurders van Pruisen waren of de autoriteiten van Westfalen, was de censuur, constateerde de dichter ironisch. Sie gibt die innere Einheit uns, / Die Einheit im Denken und Sinnen; / Ein einziges Deutschland tut uns not, / Einig nach aussen und innen.'

Deze woorden betroffen Klemens vorst Metternich en de zijnen, niet Helmut Kohl, kanselier van een natie waarin de censuur bij mijn weten inmiddels is afgeschaft. Ook in het deel van het land waarin tot voor kort het woord van de lokale partijdictator alleszaligmakend was. Allemachtig, dat ook sommige Duitsers zich zorgen maken over sommige aspecten van de samensmelting van de Bondsrepubliek en DDR is alleszins voorstelbaar. Niettemin blijft het een feit dat vijftien miljoen mensen inmiddels niet meer hoeven te vrezen 's nachts door de geheime politie van het bed te worden gelicht. Om dan toch een man als Heinrich Heine als getuige a charge tegen de Duitse eenheid te mobiliseren... nee, zo bot kan alleen maar een Duitse cabaretier/iere zijn.