Floreren van dolfijnsoorten vergt schoonmaak Noordzee

LEIDEN, 19 okt. Witflankdolfijn, witsnuitdolfijn, gewone dolfijn, tuimelaar en griend. Het zijn stuk voor stuk dolfijnensoorten die tot de inheemse fauna worden gerekend omdat ze, al is het soms sporadisch, voorkomen in het Nederlandse deel van de Noordzee. Hetzelfde geldt voor twee andere walvisachtigen: de dwergvinvis en de bruinvis.

Van die zeven zeezoogdieren, speels en intelligent tegelijk, genieten er twee de tuimelaar en de bruinvis sinds 1973 bescherming krachtens de Natuurbeschermingswet. Als het aan de Natuurbeschermingsraad ligt, worden nu ook de andere vijf op de lijst gezet. De raad heeft dat geadviseerd aan staatssecretaris Gabor van landbouw, natuurbeheer en visserij.

Het advies, waar ex-minister Braks om had gevraagd, is voorbereid door een commissie van deskundigen onder wie dr. Chr. Smeenk, conservator van het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie te Leiden en specialist in deze sector van het dierenrijk. Hij behoort tot degenen die ijveren voor groepsbescherming van de walvisachtigen, naar het voorbeeld van de negentien soorten Nederlandse vleermuizen, en voert daarvoor verschillende redenen aan.

'Een belangrijk argument', aldus de conservator, 'is dat veel soorten walvisachtigen een sterke gelijkenis vertonen, zodat heel weinig mensen in staat zijn de verschillen te onderscheiden. Door ze allemaal op de lijst te zetten, kan dus geen misverstand meer rijzen over de vraag of een bepaald exemplaar tot een beschermde soort behoort. Trouwens, alle walvisachtigen komen ook echt voor bescherming in aanmerking.'

Bescherming betekent dat het bewuste dier niet mag worden gevangen en gedood. Men mag het evenmin levend of dood 'onder zich hebben' en het is tevens verboden zijn rust te verstoren.

Tegelijk kent dr. Smeenk aan de nu voorgestelde groepsbescherming een 'signaalfunctie' toe. 'Het ministerie draagt voortaan nadrukkelijk verantwoordelijkheid voor deze groep van dieren. De boodschap luidt: zorg dat ze kunnen voortbestaan of zich kunnen herstellen. Met andere woorden: zorg dat de Noordzee schoner wordt. De dolfijnen en andere walvisachtigen maken tenslotte deel uit van het ecosysteem van de Noordzee en staan zelfs aan de top van de voedselpiramide.'

De mate waarin de betrokken dieren in de Noordzee gedijen, verschilt van soort tot soort, terwijl er ook per soort fluctuaties optreden, die toe te schrijven zijn aan natuurlijke en menselijke invloeden. In die laatste categorie vallen bijvoorbeeld vervuiling, overbevissing en scheepvaartverkeer. De zeezoogdierenstand is hoe dan ook sterk in beweging. Smeenk houdt de ontwikkelingen nauwkeurig bij en kan uit dien hoofde inzicht geven in de actuele stand van zaken.

Ronduit slecht gaat het met de tuimelaar, die men voor de oorlog vanaf de Scheveningse pier of de boot naar Texel regelmatig uit het Noordzeewater zag opspringen. Daar is nu afgezien van een verdwaald exemplaar voor de Brouwersdam geen sprake meer van. In het advies van de Natuurbeschermingsraad staat dan ook dat deze soort 'nagenoeg verdwenen' is. Toch heeft Smeenk de moed nog niet verloren; hij put enige hoop uit recente waarnemingen uit de lucht ten noorden van de Waddeneilanden. Ambtenaren van Rijkswaterstaatenkele zagen daar tientallen tuimelaars met jongen ronddartelen. 'Dus misschien komt hij terug.'

Met de bruinvis de kleinste van de walvisachtigen en vroeger zeer talrijk in de Noordzee ging het sinds de jaren dertig geleidelijk bergafwaarts, zoals blijkt uit tellingen van de Rotterdamse bioloog A. B. van Deinse, die van 1914 tot zijn dood in 1965 gegevens verzamelde over dode, gestrande dieren. De draad werd in 1970 opgepikt door de twee grote zoologische musea, in Leiden en Amsterdam, en thans kan Smeenk een 'zekere stabilisatie' van het aantal bruinvissen melden. De huidige populatie bevindt zich voornamelijk ten noordwesten van de Waddeneilanden.

De witsnuitdolfijn wordt sinds de periode 1950-1960 regelmatig in het Nederlandse deel van de Noordzee gesignaleerd. Deze soort komt uit noordelijker water, net als de witflankdolfijn, die hier in 1968 verscheen, maar zich meer buitengaats ophoudt. Smeenk brengt de migratie van beide soorten in verband met de visstand, die weer wordt bepaald door factoren als overbevissing en schommelingen in de temepratuur.

Van de andere kant, het zuiden, komt de gewone dolfijn, die sinds enkele jaren incidenteel ter hoogte van Nederland wordt waargenomen. Datzelfde geldt voor de griend, die voornamelijk ten noorden van de Doggersbank leeft. De schaarse exemplaren die men hier aantreft, moeten volgens Smeenk verdwaald zijn, want de zuidelijke Noordzee is te ondiep voor deze formidabele duiker.

Boven de Doggersbank leeft ten slotte ook de dwergvinvis, die er zelfs in aantal toeneemt sinds de jacht op het dier gesloten is. Smeenk sluit niet uit dat deze plankton- en viseter ook in de Nederlandse wateren zal verschijnen.

Als staatssecretaris Gabor het advies van de Natuurbeschermingsraad opvolgt en er is voorlopig niets dat op het tegendeel wijst zal het de eerste keer zijn dat de lijst van beschermde diersoorten, daterend van 1973, wordt aangevuld. Een eerder voorstel tot uitbreiding, in 1984, bleef op het ministerie steken omdat er een nieuwe Flora- en Faunawet in voorbereiding was. Het voorontwerp van die wet verscheen in december 1987, maar is intussen uiterst negatief beoordeeld door de Raad van State en terugverwezen naar het departement. Het zal naar verwachting nog ettelijke jaren duren voor de nodige reparaties zijn aangebracht en daar konden de walvisachtigen niet op wachten.

In zijn advies van 1984 liet de Natuurbeschermingsraad weten dat wettelijke bescherming van soorten, zowel planten als dieren, in het algemeen slechts zin heeft als tevens de 'habitats' (leefgebieden) van die soorten afdoende bescherming genieten. Die mening staat nog recht overeind en dat betekent in dit geval dat de Noordzee aanmerkelijk schoner moet worden.

    • F. G. de Ruiter