En de rivieren stopten met stromen; Jubileumbundel voor Helene Nolthenius

Een unieke maar gecompliceerde persoonlijkheid met een zeer veelzijdige denkwereld. Dat is het beeld van de schrijfster Helene Nolthenius dat oprijst uit het jubileumboek ter gelegenheid van haar zeventigste verjaardag. In de prachtig uitgevoerde uitgave bespreken vrienden, leerlingen en collega's van de schrijfster in twaalf opstellen de verschillende thema's die het denken en het schrijven van Nolthenius bepalen. Kees Fens bespreekt het Zonnelied van Fransiscus van Assisi, Hella Haasse verkent het gebied tussen wetenschap en verbeelding, Antoine Bodar wijdt uit over het beeld van Vergilius bij Petrarca en Sible de Blauw over het geluid van middeleeuwse kerkklokken.

Het zijn gecompliceerde, wetenschappelijke studies die goed passen bij een moeilijk auteur als Nolthenius. Haar werk werd vooral gelezen door mensen die uit de voeten kunnen met ingewikkelde thema's als religie, katholicisme, overtuiging, eenzaamheid, muziek en openbaring. Pas in 1989 vond de schrijfster de weg naar een breder publiek met haar studie over haar 'leidsman' Fransiscus van Assisi Een man uit het dal van Spoleto die werd genomineerd voor de AKO-literatuurprijs.

De bundel wordt ingeleid door een prachtig interview dat Huub Oosterhuis met de schrijfster had. Vooral haar innerlijke worsteling met de religie trekt de aandacht.

Als dochter van een katholieke moeder en een anti-papistische vader was Nolthenius vanaf haar jeugd geobsedeerd door religie. 'Toen ik acht was', zo vertelt ze Oosterhuis, 'moest ik al zo nodig Rooms worden. Als de kraaien van de hitte uit de bomen vielen, liep ik met lange kousen en mouwen, want dat moest van de Katholieken, dacht ik. Maar niet lang daarna stak de twijfel de kop op: 'De kerk verklaart de Bijbel voor geinspireerd en vervolgens ontleent zij aan die zelfde bijbel haar eigen geinspireerde leerzang. Dat is een cirkelredenering, dat kan niet.' Toch besluit ze zich in 1941 te laten dopen, want 'Als er geen God is, valt de hele zaak in elkaar en heeft het leven geen zin meer.' Maar direct daarna weer de onzekerheid, vooral veroorzaakt doordat haar steeds duidelijker wordt hoe anti-joods de katholieke praktijk in die dagen was.

Helene Nolthenius was ook de dochter van de cellist van het Concertgebouworkest. Ze was voorbestemd voor een carriere in de muziek. Ze had een redelijke mezzo, kreeg zangles van Johan Diepenbrock en deed ook wel mee aan uitvoeringen. Haar vader vond haar echter niet begaafd genoeg om beroepszangeres te worden. Haar passie voor de muziek bleef echter en richtte zich vooral op het theoretische vlak. Ze werd hoogleraar in de muziekgeschiedenis van oudheid en middeleeuwen, een gebied waar de twee grote krachten in haar leven, religie en muziek, elkaar raken. Maar vooral werd ze schrijfster. Nu zegt ze van zichzelf: 'Ik kan gewoon veel beter schrijven dan zingen'. Deze twee krachten, de muziek en de religie, worden op schitterende wijze gebruikt door Tanja de Goey (klassica en musicologe) in haar 'Essay over de figuur van Orpheus', dat terecht een zeer prominente plaats in het boek heeft gekregen. Juist bij deze mythische figuur versmelten de muziek en de religie tot een eenheid.

Boodschapper

Orpheus kon met de kracht van zijn stem en zijn lier de hele natuur in beweging brengen. Zelfs rivieren stopten met stromen als de zanger zijn lied inzette. Dergelijke muziek was goddelijk geinspireerd, daarover bestond bij de oude Grieken geen twijfel. Logisch dat Orpheus ook werd aanbeden als boodschapper van de goden en vereerd werd met een eigen mysteriedienst, waarin de zoektocht naar zijn geliefde Eurydice in de onderwereld een grote rol speelde.

De Goey laat zien dat in het historische Orpheusbeeld de muziek steeds verder naar de achtergrond wordt verdrongen en de religieuze component steeds belangrijker wordt. Op fascinerende wijze beschrijft ze de ontwikkeling van het Orpheusbeeld van het Griekse paganisme tot in het christendom.

In de hoogtijdagen van het oude Griekenland zegt de dichter Aeschylos (500 v. Chr.) over Orpheus dat hij 'na de afdaling in de onderwereld overging tot het aanbidden van de zonnegod Helios, die hij als de hoogste van alle goden beschouwde'. Vanaf dit moment begint Orpheus zich te ontwikkelen van 'monotheist avant-la-lettre' tot prefiguratie van Christus. De Griek Diodorus (200 v. Chr.) signaleerde deze neiging tot het monotheisme van de mythische zanger als een van de eersten. Volgens hem bracht Orpheus dit monotheisme mee uit Egypte, waar hij enige tijd had doorgebracht. Deze opmerking is buitengewoon interessant, omdat het een beeld van Egypte als bakermat van het monotheisme (Mozes en de exodus der joden) versterkt.

De relatie van Orpheus met het joodse geloof was trouwens al eerder gelegd. In een sensationeel document vroeger toegeschreven aan Orpheus zelf, maar nu 'ontmaskerd' als daterend uit het joodse Alexandrie van de derde eeuw v. Chr. richt de mythologische zanger zich tot zijn zoon en drukt hem op het hart 'te geloven in een onzichtbare, immanente en transcendente God, die overal is en alles in de hemel en op aarde tot stand brengt, die is verkondigd door hem die uit het water geboren is, aan wie de meningen van God gegeven zijn in de dubbelgevouwen wet'. Met dit laatste kan niemand anders dan Mozes bedoeld zijn aan wie God zijn wetten openbaarde op de berg Sinai.

De Christenen 'annexeren' Orpheus vanaf Clemens van Alexandrie (200 v. Chr.). Het 'lied' van Orpheus gaat langzaamaan samenvallen met het 'woord' van Christus, beide openbaringen van God door halfgoddelijke wezens. Zowel het 'lied' als het 'woord' hebben een bezwerende, scheppende kracht. De zoektocht naar Eurydice wordt de zoektocht naar de verloren eenheid van de mens met God in de tijd dat er nog geen zonde was. In de vroeg-christelijke kunst wordt Orpheus afgebeeld met symbolen die naar Christus verwijzen. Er bestaat zelfs een afbeelding van Orpheus aan het kruis. De synthese voltooid.

Muziek, het religieuze mysterie, dwalen door de geschiedenis langs verschillende levensopvattingen. De wereld van Orpheus en van Helene Nolthenius.