Een oneigenlijke taak voor de BVD

Versteviging van de marktpositie vergroot de kans om te overleven, zeker in een tijd van malaise. Zo ongeveer moet de Binnenlandse Veiligheidsdienst met een zekere vooruitziende blik hebben geredeneerd. Al voor het afbrokkelen van de Berlijnse muur kwamen de eerste signalen naar buiten: de BVD lonkte naar een aandeel in de (politiele) bestrijding van ambtelijke corruptie. De minister van binnenlandse zaken haastte zich een voorlopig geruststellend rookgordijn te leggen om het voorzichtig opgelaten proefballonnetje. Daarmee leek voorlopig de kous af.

In hoeverre vervolgens de totale ineenstorting van het 'Oostfront' de expansiedrift van de BVD naar de politiemarkt heeft aangewakkerd laat zich slechts raden. De inmiddels aan de Tweede Kamer aangeboden nota 'Een nieuwe BVD' is weliswaar op cruciale punten strategisch-abstract geformuleerd, maar laat geen twijfel over de voorgenomen koerswijziging: bemoeienis met de bestrijding van de georganiseerde misdaad.

Men wil deze rol op zich nemen wegens 'de invloed van de georganiseerde misdaad op het functioneren van de overheid en gewichtige maatschappelijke organisaties'. De aanbieding bestaat uit 'het leveren van informatie, advies en operationele preventie'. De 'toegevoegde waarde van de BVD' omvat het hele scala van bevoegdheden, mensen en middelen waarover de 'Dienst' beschikt. En tenslotte draagt de 'produktie-eenheid' waar aan de nieuwe touwtjes wordt getrokken, de allesomvattende benaming 'Maatschappelijk en Economisch functioneren'.

Op het eerste gezicht een niet onaantrekkelijk klinkend betoog, dat onderbouwd is met op zichzelf redelijke argumenten. Voor degenen die minder thuis zijn in de wereld van de bestrijding van 'georganiseerde criminaliteit' zit er zelfs iets verleidelijks in: alle beschikbare hens aan dek tegen een (nieuwe) gemeenschappelijke vijand.

De BVD ziet klaarblijkelijk het groene licht van de Tweede Kamer al. Twee 'kwartiermakers', een hogere politieambtenaar en een officier van justitie, de laatste tijdelijk, zijn immers reeds aangesteld. Of Justitie echt staat te trappelen van ongeduld om de zich zelf tot nieuwe bondgenoot aan het criminele front uitgeroepen 'Dienst' juichend binnen te halen waag ik te betwijfelen. In de twee onlangs verschenen beleidsplannen van Justitie voor de komende jaren ben ik geen woord van welkom aan de BVD tegengekomen.

Deze nieuwe BVD laat echter een reeks vragen onbeantwoord: -Wat verstaatde 'Dienst' precies onder georganiseerde criminaliteit? -Waarom vindt de BVD dat zij bemoeienis moet hebbenmet de georganiseerde misdaad en in welke sector, en hoe denkt zij haar 'marktaandeel' operationeel gestalte te geven? -Wat wordt bedoeld met'invloed van georganiseerde misdaad op het functioneren van de overheid' enzovoorts? Is dit wellicht een diplomatieke vertaling van 'ambtelijke corruptie'?

-Wat kan de BVD op grond waarvan eigenlijk wel, wat de reguliere politie, inclusief de CRI, bij de bestrijding van georganiseerde misdaad binnen de wet niet zou kunnen?

-Onder wiens verantwoordelijkheid is de BVD aan het werk wanneer het gaat om activiteiten in het kader van 'maatschappelijk en economisch functioneren' en hoe zit het vervolgens met de democratische en rechterlijke controleerbaarheid van die activiteiten?

Reeel gevaar

De georganiseerde misdaad, ik spreek overigens liever van groeps- of bendecriminaliteit, vormt ook voor de Nederlandse samenleving een reeel gevaar dat niet hard genoeg bestreden kan worden. Het Europa zonder binnengrenzen zal aan die bestrijding ongetwijfeld nog een extra dimensie geven. Op dit punt geldt voor de politie met recht het parool 'eendracht maakt macht'. Overigens moet dan wel eerst in nationaal verband orde op zaken worden gesteld.

Misdaadbestrijding is per definitie een reguliere politietaak, die wordt uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie en op basis van het Wetboek van Strafvordering. Het hele opsporingsbeleid is van het begin tot het einde onderworpen aan (onder meer) rechterlijke toetsingen. Populair gezegd: wanneer het erop aankomt zal alles wat opsporingsambtelijk is ondernomen boven tafel moeten komen.

Het gaat mij toch ook te ver wanneer, zoals onlangs het geval was, de politie een rechterlijke beslissing negeert om een pseudokoper op de zitting te laten verschijnen. Op het argument van 'levensbedreiging' is nog wel wat af te dingen, terwijl de redenering dat de pseudokoper daarna 'afgebrand' zou zijn en dus niet meer inzetbaar, mij niet erg aanspreekt.

De huidige activiteiten van de BVD spelen zich in een geheel andere sfeer af, hun werkwijze is anders, de controle daarop al evenzeer. De verplichting om 'hetgeen door hen tot opsporing is verricht of bevonden' bij proces-verbaal vast te leggen bijvoorbeeld is bij de BVD door het ontbreken van de vereiste opsporingsbevoegdheid een onbekend gegeven. Pogingen deze modus operandi in een of andere fase van de (georganiseerde) misdaadbestrijding te laten passen zullen in de dagelijkse praktijk alleen maar frustraties en de nodige aanvaringen met de reguliere politie en het OM opleveren. (Wie is bezig met welke groepering, wie is wiens informant, wie volgt wie, wie heeft welke informatie enzovoorts).

Verzamelpunt

De Nederlande politie heeft behoefte aan een centraal verzamelpunt waar permanent, voor zowel strategische als operationele doeleinden, aan een totaalbeeld van de georganiseerde misdaad in dit land wordt gewerkt. Die taak hoort bij de Centrale Recherche Informatiedienst (CRI). Dit maakt het bestaan van iedere variant op dit verzamel- of analysepunt niet alleen overbodig maar ook ongewenst. Duidelijker gezegd, alle informatie op het gebied van (georganiseerde) misdaad hoort bij de CRI te worden ingebracht en dus niet bij de BVD.

'Voor al deze zaken', zo hoor ik in de Tweede Kamer al uitspreken, 'dienen tussen het OM, politie, CRI en BVD goede afspraken te worden gemaakt'.

Het zal duidelijk zijn dat er naar mijn opvatting slechts een goede afspraak gemaakt kan worden: schoenmaker, houdt u bij uw leest!