Droomfabriek

Hollywood noemt zichzelf graag en vaak een droomfabriek. Er gaat geen gala voorbij of er wordt wel een hommage gebracht aan de mensen 'who make us dream' of 'who share their dreams with us'. Natuurlijk is het niet meer dan een beleefdheidsformule, zoals zwarte Amerikaanse zangers van instant-disco op hun cd-doosjes altijd even God bedanken voor hun bovennatuurlijke talent. Maar juist uit de mechanische manier waarop zulke verplichte nummers worden afgehandeld, spreekt een zeker dodelijk vermoeid zelfbewustzijn, een overbewustzijn. De woorden kloppen precies, het is letterlijk genomen geen onzin, alleen maakt het geen enkele indruk. Wanneer Hollywood over zijn eigen betekenis praat, doet dat altijd denken aan een man die je een haarfijne analyse van zijn eigen geestelijke problemen geeft in het Freudiaanse jargon van zijn psychiater. Op Amerikaanse filmavondjes is de taal van de verbeelding gereduceerd tot een handvol hapklare gemeenplaatsen, waarmee de nadruk onwillekeurig wordt gelegd op de fabriek, niet op de droom.

Dat moet gevolgen hebben voor de films. En inderdaad, er wordt de laatste jaren steeds luider geklaagd over Hollywoods obsessie met kwantiteit in plaats van kwaliteit. Niet het produkt staat centraal, maar de fabriek zelf. Een film wordt zodoende alleen nog besproken in termen van kostprijs en rendement. Wat heeft het gekost en wat heeft het opgebracht? Een 'waagstuk' in hedendaagse Hollywoodtermen is geen moeilijke film, maar een dure film. Scandaleus is niet de actrice die een verhouding met haar medespeler begint of iedere ochtend op de set onmogelijke kuren vertoont, maar de regisseur die zijn budget overschrijdt.

Met Dick Tracy is in deze krant al afdoende korte metten gemaakt; het enige wat beweegt in die film, zijn de decors. Maar wat voor een decors! Oogverblindende, primaire kleuren, grotesk uitvergrootte acteurshoofden, vreemde perspectieven in straten en gebouwen, overdreven artificiele achtergronden. Het is het enige aan die film waarbij je zonder gene weg kunt dromen. Het is grof geschut, er is niets intiems aan, maar het werkt; het is een wereld op zich waar je naar kijkt en als bioscoopganger geef je je bijna over aan je verwondering.

Bijna. Het aftandse verhaaltje, het steriele acteursspel, het piepschuim sex-appeal van Madonna; tussen achtergrond en voorgrond in Dick Tracy gaapt een veel te diepe kloof. De enige acteur die er iets van maakt, Al Pacino, wekt daardoor vooral een tragische indruk, net als Jack Nicholson in Batman; je kijkt naar iemand die vreselijk zijn best doet, maar niemand doet mee.

En juist omdat de film uiteindelijk voor je ogen uit elkaar valt in een aantal losse elementen, wordt ten slotte ook de droom van de decors verstoord. Het is allemaal net iets teveel bedacht, te gekunsteld. En wat dan volgt, is dodelijk: eerst is er een moment dat je je gaat afvragen hoe ze het hebben kunnen bedenken, dan vraag je je af hoe ze het hebben gemaakt, en vervolgens wil je weten wat het gekost heeft.

En op al die vragen krijg je antwoord. In het boekwerk Dick Tracy; the Making of the Movie, tegelijk uitgebracht met de film, wordt het allemaal uit de doeken gedaan: wie het verzonnen heeft, hoe het werd uitgevoerd. Dat is misschien wel de ziekte van Hollywood: de neiging om direct na iedere film te zeggen wat het kostte en vervolgens uit te leggen hoe het gemaakt werd. De acteurs-animatiefilm Who Framed Roger Rabbit? was een cinematografische tour de force, en dat hebben we geweten ook; na drie documentaires en honderdvijftig artikelen heb ik al bijna het gevoel dat ik het zelf ook kan. Dat is opnieuw het overbewustzijn: door zichzelf trots te analyseren en te laten zien dat ieder effect vantevoren is berekend, willen de makers van Dick Tracy ontzag en verwondering bij de bioscoopbezoekers wekken, maar het enige dat ze doen is de droom effectief om zeep helpen. Het zijn goochelaars die aan het einde van de voorstelling al hun trucs aan het publiek uitleggen. De volgende keer zal dus iets nog fantastischers, iets nog spectaculairders, iets nog groters en vooral duurders moeten worden bedacht.

Aan Francois Truffaut verklapte Hitchcock jaren na dato zelfgenoegzaam dat hij in Suspicion een lampje in het glas melk van Gary Grant had laten aanbrengen, zodat de aandacht van de kijker automatisch naar dat glas zou gaan. Wie die film tegenwoordig ziet, denkt bij de bewuste scene altijd, ha, het lampje! Maar het haalt de spanning niet uit de film, integendeel, vreemd genoeg verhoogt die wetenschap de spanning juist, omdat het lampje in de film een ondergeschikt effect is. Het gaat om een detail, dat in je hoofd als vanzelf onderdeel gaat uitmaken van de film; de truc bevestigt het verhaal. Wie bij Dick Tracy weet hoe hij gemaakt werd, is voorgoed zijn geloof in die film kwijt.