De smaak van verveling; Het leven van Roland Barthes

De Franse denker Roland Barthes (1915-1980) hoopte dat hij na zijn dood zou voortleven in een paar biografische details die de 'toonzetting' van zijn werk zouden weergeven. Toch verscheen onlangs een biografie van Barthes, waarin vooral zijn dagelijkse, persoonlijke leven wordt beschreven. 'In tegenstelling tot bijvoorbeeld Sartre, Foucault en Sollers deed Barthes moeite om zo min mogelijk een publiek leven te leiden.'

Het bijzondere aan de biografie van een schrijver is dat het onderwerp zelf de biograaf al voor is geweest. Een schrijver heeft vaak niet alleen zijn eigen leven beschreven, hij heeft het gebruikt. Bijvoorbeeld door personen, gebeurtenissen en plaatsen te vervormen tot scenes in zijn boeken, maar ook door een schrijvend leven te leiden, dat wil zeggen zijn identiteit te ontlenen aan wat hij publiceert en hoe hij schrijft, waardoor de grenzen tussen werk en leven, tussen het schrijvend en het levend ik moeilijk te trekken zijn. Als die grenzen niet vloeibaar zijn geworden, dan zijn ze wel tot een gordiaanse knoop verstrikt.

Roland Barthes (1915-1980) omschreef biografieen als romans die hun eigen naam niet durven uit te spreken. En daarom is het niet verbazend dat voorin het boek Roland Barthes par Roland Barthes, (waarin hij schrijft over zijn leven en persoon en analyseert wat er gebeurt als iemand over zijn eigen leven en persoon gaat schrijven), staat dat alles wat er volgt moet worden opgevat alsof het werd uitgesproken door een romanpersonage. Ergens anders spreekt hij de hoop uit dat hij na zijn dood niet voortleeft door een levensverhaal, maar alleen in de vorm van een paar zogenaamde 'biografemen', oftewel exemplarische biografische details, die in al hun compactheid de 'toonzetting' of de 'smaak' van iemands werk en leven kunnen oproepen.

Als om toekomstige biografen al bij voorbaat tot voorzichtigheid te manen schrijft hij dat hij er op uit is de anderen te laten geloven dat het nutteloos is om te zoeken, dat er in een leven niets te vinden is.

Maar nu, tien jaar na zijn dood, verschijnt dan toch de eerste biografie.

Louis-Jean Calvet, een leerling van Barthes die al in 1973 een boek wijdde aan diens oeuvre, heeft jarenlang Barthes' vrienden en kennissen ondervraagd, van jeugdvrienden en studenten die zijn seminars bezochten tot Francois Mitterrand, met wie Barthes lunch gebruikte, een uur voor het verkeersongeluk waarna hij nog maar een maand leefde.

Het is een ingehouden en voorzichtige biografie van net 300 pagina's geworden. Hoewel het boek een stroom aan nieuwe informatie biedt, bevestigt het het beeld van Barthes dat je als lezer van zijn veelvormige werk krijgt.

Dat klinkt saai, maar dat is het niet. Juist doordat Calvets biografie zoveel moeite doet eenvoudig te vertellen over het leven dat Roland Barthes leidde buiten het schrijven, komt Barthes met zijn werk alleen te staan. Dat wil zeggen dat het imago van een dogmatisch structuralistische intellectueel die deel uitmaakte van de elite van het Franse denken, naar de achtergrond verdwijnt.

Voorzover hij niet schreef en les gaf, wilde hij een werkelijk prive-leven hebben. Voor hem geen deelname aan demonstraties, geen partijkeuze voor militante splintergroepen, geen bezoekjes aan bezette bedrijven en geen handtekeningen onder vlammende protesten en petities.

Toen in 1968 heel intellectueel Parijs in de greep raakte van de mei-revolte en het universitaire leven nog een jaar lang in het teken van de naweeen daarvan stond, ontvluchtte Barthes Parijs om gastdocent in Marokko te worden. Niet omdat hij het pertinent oneens zou zijn met de politieke doelstellingen van de opstandelingen, maar omdat hij zelf geen rol wilde spelen op het politieke toneel waarvan hij het afstotelijke en belachelijke niet verdroeg.

Barthes 'las' de gebeurtenissen en uiteenzettingen van mei '68 met een even gevoelig en scherp oog als waarmee hij de romans van Proust, Japanse eetgewoonten of de nieuwe reclame-campagne van Citroen 'las'. Zijn kracht berustte op het soort intieme kennis van verschijnselen en cultuuruitingen dat alleen een buitenstaander verzamelen kan. Barthes toonde indirect, via zijn intellectuele werk, betrokkenheid bij maatschappelijke gebeurtenissen.

Daarom is een biografie die vooral over het dagelijkse, persoonlijke leven van Barthes gaat en weinig verklaringen pretendeert te leveren voor zijn werk zo verhelderend. Het boek laat zien welke voorwaarden er voor Barthes verbonden waren aan de vrijheid van denken, die hem in staat stelde een eigen stem te ontwikkelen en zich nooit vast te leggen op een systeem, een theorie of een methode.

Sanatorium

Tot aan zijn debuut in boekvorm met Le Degre zero de l'ecriture in 1953 wordt Barthes' leven beheerst door een onvrijwillig isolement. Hij was het kind van een jonge weduwe die in onmin met haar familie leefde. Als jongen besteedt hij de meeste tijd aan pianospelen en studeren. Als hij de middelbare-schoolleeftijd heeft, baart zijn moeder nog een halfbroer wiens vader zij alleen zien tijdens zomervakanties in het Zuidwesten, bij Bayonne. Barthes' moeder werkt als boekbindster, wat een zo karig loon oplevert dat hij soms niet naar school kan bij gebrek aan toonbaar schoeisel of een jas. Afkomstig van goedburgerlijke familie als ze zijn is die armoede voor Barthes en zijn moeder een bron van schaamte en een reden zich gereserveerd en teruggetrokken op te stellen.

Zijn schoolopleiding wordt door de staat bekostigd, hij is 'pupille de la nation' en daardoor een buitenbeentje. Barthes is een heel goede leerling en samen met een paar vrienden droomt hij ervan toegelaten te worden tot de Ecole Normale Superieure, de elite-universiteit die als snelweg geldt naar een loopbaan in de hoogste regionen van diplomatie, wetenschap en politiek. Maar in het voorjaar van 1934, als ze zich voorbereiden op de zware toelatingsexamens, wordt Roland Barthes ziek. Men stelt tbc vast, in een zo vergevorderd stadium dat hij meer dan een jaar moet kuren in de Pyreneeen, ver van zijn vrienden en wetende dat hij de Ecole Normale Superieure vergeten kan.

Hoewel hij in de tweede helft van de jaren dertig aan de Sorbonne klassieke talen studeert, zich bezig houdt met de uitvoering van klassieke tragedies en Griekenland en Hongarije bezoekt, blijft zijn gezondheid zwak en na twee jaar als leraar in Biarritz en Parijs te hebben gewerkt volgt in 1941 de eerste ernstige terugval. Tot 1947 verblijft hij in sanatoria in de Franse en Zwitserse Alpen, onderbroken door een jaar studie in Parijs waarin hij zijn universitaire titel in taalkunde en filologie behaalt.

Ondanks zijn ziekte en het gevoel maatschappelijk gesproken alle kansen te verspelen vormen die jaren in sanatoria in velerlei opzicht de bakermat voor zijn werk. Het zijn de ervaringen en contacten uit die jaren die hem op het spoor zetten, dat hij volgen zal. Hij leest er Camus en Sartre, schrijft zijn eerste artikelen, besteedt veel tijd aan muziek, en vult de lange lege dagen met discussies met medepatienten. Daaronder is Georges Fournie, een trotskist, die voor de Republiek in Spanje heeft gevochten, in het Franse verzet heeft gezeten en Buchenwald van binnen kent. Hij wekt Barthes' interesse voor het marxisme.

Intussen bestudeert Barthes het enorme oeuvre van de Franse historicus Michelet, waarbij hij een werkwijze ontwikkelt die kenmerkend zal blijven voor al zijn verdere onderzoekingen. Die werkwijze bestaat uit een intense aandacht voor het vlees en bloed van de tekst zelf, die hij uiteenrafelt door middel van het isoleren en voortdurend combineren en herordenen van honderden citaten en fragmenten in een kaartsysteem. Die gerichtheid op de literaire dimensie van alle teksten, ook wetenschappelijke of politieke, en het denken in naast elkaar bestaande fragmenten zal Barthes altijd trouw blijven.

Maar het allerbelangrijkste is waarschijnlijk dat hij zijn essentiele intellectuele ervaringen opdoet in een omgeving zonder instituties. Of het nu gaat om het marxisme, de structuralistische taalkunde, de psychoanalyse, het existentialisme van Sartre of de nieuwste literatuur, zoals die van Camus, Barthes neemt er kennis van zonder dat er universiteiten, redacties, politieke partijen of methodologische debatten aan te pas komen. Met al die dingen komt hij in aanraking door middel van eenzame studie, brieven en de discussies van tot elkaar veroordeelde patienten, outsiders onder elkaar.

Als hij genezen is verklaard, werkt Barthes enkele jaren als docent en bibliothecaris bij Franse culturele instellingen in Boekarest en Alexandrie. Hij leeft er als in de sanatoria: in een klein kringetje, afgesloten van de buitenwereld en een voortdurende strijd leverend tegen verveling en gevoelens van frustratie. Eenmaal terug in Parijs trekt hij weer bij zijn moeder in en zal met haar in een huis wonen tot haar overlijden in 1978. Naast zijn werk zijn er drie dingen die zijn dagelijkse leven bepalen. Zorgen om zijn gezondheid, zijn moeder, zonder wie hij moeilijk kan, en zijn geheime homoseksuele leven, waarvan veel vrienden en kennissen het bestaan niet eens vermoeden. Pas op latere leeftijd, als mettertijd ook de tolerantie toeneemt, zal hij er iets opener over spreken, maar uitsluitend in persoonlijke gesprekken. In zijn werk is het verhuld aanwezig en hoewel er druk op hem werd uitgeoefend, heeft hij zich nooit solidair verklaard met de homo-emancipatiebeweging. Niet alleen uit afkeer van wat hij 'politieke hysterie' noemde, maar ook om zijn moeder te sparen.

Tijdens de jaren vijftig is hij nog afhankelijk van baantjes, die de tijd beperken die overblijft voor zijn eigen studies en publikaties. Toch brengt hij drie boeken uit: Le Degre zero de l'ecriture, dat hem in een klap tot een vooraanstaand criticus maakt; Michelet, een boek met fragmenten van en over de historicus, de vrucht van de jarenlange lectuur in het sanatorium; en Mythologies, de bundeling van tijdschriftartikelen over populaire mythes en tijdverschijnselen, dat zowaar een bestseller wordt.

In 1960 wordt hij benoemd tot hoogleraar aan de Ecole Pratique des Hautes Etudes, waar hij achttien jaar lang zal blijven om, zoals dat officieel heette, 'de sociologie van tekens, symbolen en representaties' te bestuderen. Met de verschijning van Essais Critiques in 1964 behoort Barthes definitief tot de voormannen van de 'nouvelle critique', en raakt als zodanig ook betrokken bij de polemieken die de nieuwe, op de structuralistische taaltheorieen van De Saussure en herinterpretaties van Freuds psychoanalyse gebaseerde methode oproept.

Verliefd

Barthes' studies beperken zich niet tot de literatuur en het theater. Hij publiceert ook een sociologische studie van de mode, Systeme de la Mode, en betreedt daarmee het terrein van een opkomende discipline, de semiologie, die ervan uitgaat dat alle tekensystemen hun betekenis 'als een taal' voortbrengen en daarom met een vergelijkbare methode leesbaar zijn.

Barthes keert zich aan het eind van de jaren zestig meer en meer af van de wetenschappelijke pretenties van de semiologie en publiceert in 1970 en '71 twee boeken, waarmee hij een nieuwe richting inslaat.

Het ene is L'Empire des signes, een literair-essayistisch verslag van een bezoek aan Japan, en Sade, Fourier, Loyola, waarin voor het eerst de notie 'plaisir' een belangrijke rol speelt, de spil waar veel van Barthes' werk uit de jaren zeventig om draait. Terwijl de taal- en literatuurwetenschappers in toenemende mate kritiek krijgen op Barthes' fragmentarische, en in hun ogen al te vage, onwetenschappelijke aanpak begint hij in zijn werk aan een nieuwe periode. In zijn boek Roland Barthes par Roland Barthes van 1975 versmelten autobiografie, essayistiek en theorie tot een geheel; de persoon van de schrijver lijkt verdwenen en plaats gemaakt te hebben voor een manier van kijken en lezen, een stijl. Vandaar de opmerking vooraf dat alles wat volgt opgevat zou moeten worden als uitspraken van een romanpersonage.

In 1977 publiceert hij Fragments d'un discours amoureux. Het bestaat uit korte uiteenzettingen en schetsen over wat je de micro-mechanica van de verliefdheid zou kunnen noemen. Behalve uit de wereldliteratuur (vooral Goethe's Werther) put hij ook veel uit zijn eigen notities en parafraseert hij de liefdesbrieven die hij in de jaren veertig schreef. Het boek verkoopt verbluffend goed, 'alsof het een roman is', zegt Barthes zelf verbaasd.

Het jaar 1978 is in tweeerlei opzicht een cruciaal jaar. Ondanks gemor uit de universitaire hoek wordt hij voorgedragen voor het Walhalla van het Franse intellectuelendom, het College de France. Dit toppunt van erkenning en roem wordt overschaduwd door de dood van zijn moeder. Vrienden merken op dat in de jaren die volgen Barthes verandert. Hij lijkt uitgeblust, teleurgesteld.

In de postuum gepubliceerde dagboekfragmenten Incidents (1987) die hij in die jaren schrijft verschijnt een wat stuurloze man, die zijn hoofd niet echt meer bij zijn werk houden kan. Hij is gedeprimeerd door het verlies van zijn moeder, maar misschien nog meer door zijn mislukte pogingen liefdesrelaties te onderhouden. Uiteindelijk concludeert hij dat hij niet meer op de verliefdheid van anderen hoeft te rekenen en is aangewezen op vluchtige contacten en gigolo's.

Wanneer hij een vriend op bezoek heeft, op wie hij verliefd zou willen worden, maar die geen werkelijke interesse in hem toont, verdraagt hij het niet langer. 'Toen heb ik hem weggestuurd, ik zei dat ik nog moest werken, wetende dat het voorbij was, en dat er na hem voorgoed iets afgelopen was: de liefde van een jongen, ' schrijft hij in Incidents.

De avondlijke zwerftochten door Parijs leveren geen avontuur meer op, alleen maar verdriet, zodat we Barthes vroeg naar huis zien gaan, om in bed met een beker warme melk tegen de maagpijn nog wat te lezen.

In 1980 steekt hij een straat over na uitgebreid links en rechts te hebben gekeken. Halverwege wordt hij door een bestelwagen van een wasserij aangereden en belandt in het ziekenhuis. Hoewel het ongeluk hem nergens levensgevaarlijk heeft verwond, is hij stervende. De zwakste plek van zijn lichaam speelt op: zijn longen weigeren dienst. Terwijl de doktoren volhouden dat hij volledig kan herstellen, overlijdt Roland Barthes op 65-jarige leeftijd, een maand na het ongeluk. Barthes had kunnen herstellen van het ongeluk als hij voor zijn leven gevochten had en zijn longen zou hebben getraind. Dat was hem teveel, dat voerde terug naar de tijd tussen zijn twintigste en drieendertigste toen zieke longen zijn leven beheersten. Roland Barthes had gewoon geen zin meer, legde zich erbij neer, trok zich terug.

Als je een 'toonzetting' of 'smaak' zou moeten noemen die het leven van Roland Barthes kenmerkte, dan zou dat verveling zijn. Barthes heeft eens gezegd dat hij zich in zijn werk door zijn verlangen liet leiden, maar misschien is het preciezer om te zeggen dat hij zijn energie putte uit de drang om te ontsnappen aan de eenzaamheid, de melancholie, die horen bij die ineenstorting van alle verlangen, die we verveling noemen.

Klassieken

Calvets biografie laat veel onbekende en 'geheime' kanten aan Barthes zien, die duidelijk maken dat hij nergens bij hoorde of wilde horen. Zelfs zijn lange, controversiele affiliatie met het tijdschrift Tel Quel, kwam niet voort uit ideologische overwegingen, maar vooral uit het verlangen betrokken te zijn bij de avant-garde in literatuur en theorievorming en zijn vriendschap met Philippe Sollers. Die partijkeuze voor vernieuwing in de literatuur, die zo kenmerkend was voor Barthes, van zijn artikelen in de jaren veertig over Camus tot zijn verdediging van Robbe Grillets 'nouveau roman' en de romans van Sollers, was ook verre van eenduidig. In zijn dagboek uit 1979 beschrijft hij hoe hij na een dag studeren en het lezen van 'modernen' 'savonds voor zijn plezier de klassieken leest, dat wil zeggen Pascal en Chateaubriand, (over wiens Memoires d'outre-tombe hij schrijft: het ware boek) en zich herhaaldelijk betrapt op de gedachte: 'En als de Modernen zich vergist hebben? Als ze nu eens geen talent hadden?'

Maar hoeveel blikken achter de schermen Calvet ons ook biedt, het bevestigt alleen maar het beeld van Barthes dat een lezer zich van de persoon van de schrijver vormt, wanneer hij behalve aan de geboden redenering en informatie ook aandacht schenkt aan Barthes' stijl. Want als de biografie iets ondubbelzinnig duidelijk maakt, dan is het dat Barthes geen wetenschappelijk theoreticus was, ook al dacht hij dat aanvankelijk misschien zelf. Hij was een schrijver wiens grootste talent er uit bestond zich de begrippen en theorieen van anderen eigen te maken, en zo subtiel toe te eigenen dat ze onderworpen werden aan zijn eigen humeur, temperament en smaak. In interviews in de tweede helft van de jaren zeventig spreekt hij er regelmatig over dat zijn werk meer en meer gezien dient te worden binnen het kader van het romaneske, dat wil zeggen de roman minus de personages. Robbe-Grillet noemt Barthes in dit verband 'de werkelijk moderne romancier'.

Of we door het lezen van Calvets biografie de 'echte' Barthes op het spoor komen lijkt me niet belangrijk. Het boek is heel goed te lezen als de schildering van het personage R. B. of Erbe, (zoals hij zichzelf wel eens aanduidde in de derde persoon), dat niet alleen het boek Roland Barthes par Roland Barthes, maar het merendeel van Barthes' oeuvre 'uitspreekt'. Barthes-zelf, wie of wat dat ook geweest moge zijn, is dood en verdwenen.

Louis-Jean Calvet: Roland Barthes (uitg. Flammarion, 339 blz. (incl. register)). Prijs fl.60,20.