Waterschap laakt versnipperd milieubeleid; 'Er moet eenagentschap komen om een geluid af te geven: dat van de overheid'

LEIDEN, 18 okt. 'Vroeger had je de Republiek der Verenigde Nederlanden, nu hebben we de Staat der Onverenigde Departementen.' De ambtelijke top van het Hoogheemraadschap van Rijnland, bestaande uit technisch directeur ir. A. J. M. Overgaag en secretaris-rentmeester mr. H. J. G. Bruens, trekt deze vergelijking om uiting te geven aan hun kritiek op het functioneren van de rijksoverheid als het gaat om maatregelen in de milieusfeer.

Overgaag: 'De vier meest betrokken ministeries, VROM, Verkeer en Waterstaat, Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en Economische Zaken, opereren te afzonderlijk. In plaats van elkaar te ondersteunen voeren ze ellenlange onderlinge discussies waardoor veel tijd en energie verloren gaat, en wat er ten slotte uitkomt, is een melee van afzwakkingen. Het ontbreekt aan samenwerking en continuiteit. Er zitten te veel remmers op de trein.'

Milieuvraagstukken, aldus Overgaag en Bruens, zijn in het algemeen 'stofstromenproblemen', stromen van schadelijke stoffen, die vloeibaar, vast of gasvormig in het milieu belanden: 'Daarom verdient het ernstige overweging de bevoegdheden over die stofstromen niet langer bij de vier verschillende ministeries te laten, maar over te hevelen naar een agentschap, dat zeer ruime bevoegdheden krijgt en rechtstreeks onder de minister-president valt. Dit alles natuurlijk onder strikte parlementaire controle. Alleen dan is het mogelijk de departementale loopgraven te overstijgen en zal de uitvoering van dringend noodzakelijke maatregelen effectief worden.'

Rijnland is het oudste waterschap in Nederland en ook een van de grootste. Het bestrijkt een gebied van ongeveer duizend vierkante kilometer, dat voor tweederde in Zuid-Holland en voor de rest in Noord-Holland ligt en zo'n veertig kilometer kustlijn heeft. 'Schoon water en droge voeten', luidt het motto van de in Leiden zetelende organisatie. Droge voeten was vanouds het adagium; het schone water kwam er in 1974 bij, toen Rijnland, zoals zo veel waterschappen, een zuiveringstaak toebedeeld kreeg krachtens de Wet Verontreiniging Oppervlaktewater.

De uitvoering van het nationale milieubeleid berust dus onder meer bij dit Hoogheemraadschap en daarom achten Overgaag en Bruens zich gerechtigd hun grieven te uiten. Bruens: 'De afgelopen periode zijn veel lozingen verminderd door saneringsmaatregelen bij bedrijven. Verder zijn er veel zuiveringsinstallaties voor afvalwater gebouwd, maar dat alles is niet genoeg om de gewenste waterkwaliteit te bereiken. De Derde Nota Waterhuishouding getuigt daarvan. Er zit nog een groot gat tussen wens en werkelijkheid.'

Overgaag: 'De mooiste en tevens moeilijkste doelstelling staat in het regeerakkoord: 'Binnen een generatie zal de wijze van produceren en consumeren moeten voldoen aan de voorwaarden van duurzame ontwikkeling'. Een generatie is een overzienbare periode van zeg twintig jaar. In het waterbeheer kan men dit vertalen met: over twintig jaar moet het water en ook het baggerslib weer schoon zijn. En dat kan ook, als we tenminste willen. Ik hoop van harte dat de politici zich in die zin zullen uitspreken, maar tot nu toe ervaar ik de reacties uit het parlement alleen als lippendienst aan het milieu.'

Bruens: 'Kijk maar naar die voorgestelde accijnsverhoging van acht cent op benzine. Zo'n verhoging is goed voor het milieu, want ze remt het autogebruik. Maar wat gebeurt? Op verzoek van de Kamer wordt de maatregel voorlopig geschrapt.'

Juist deze week kon Rijnland melden dat de lozing van zware metalen op de riolen in dit waterschap de afgelopen vijf jaar gemiddeld is gehalveerd. Daaruit blijkt dat zogeheten puntbronnen lozingen uit een pijp zich bij uistek lenen voor sanering. 'En zo hoort het ook', aldus Overgaag. 'Zoals zo vaak geldt ook hier dat lozingen bij de bron moeten worden aangepakt. Dat is per saldo de goedkoopste methode.'

Maar daarnaast zijn er de vele diffuse bronnen waar een waterbeheerder als Rijnland mee worstelt en die de laatste tijd eerder zijn toegenomen dan verminderd. Te denken valt aan het verkeer, de land- en tuinbouw als 'leverancier' van (kunst)mest en bestrijdingsmiddelen en ook het regenwater, dat vaak vuiler is dan het oppervlaktewater.

Overgaag: 'De tragiek van het oppervlaktewater is dat alle vervuiling daar rechtstreeks of indirect in terecht komt. Daarom moeten alle lozingen worden aangepakt. De tijd is voorbij dat we de toelaatbaarheid van lozingen nog moeten bestuderen. De norm, ook voor diffuse bronnen, moet eenvoudig in de buurt van nul liggen.'

In dit verband hekelt hij de meststoffenwetgeving, die onvoldoende vrucht afwerpt. 'Terwijl wij van Rijnland op het punt staan 40 miljoen extra in zuiveringswerken te investeren om de hoeveelheid stikstof in het water te halveren, gaat de uitspoeling van stikstof door de landbouw gewoon door; er is geen zicht op vermindering. De uitrijmogelijkheden voor mest zijn zelfs versoepeld. Zo zie je dat de pressie achter bepaalde maatregelen niet overal gelijk is.'

In hetzelfde verband kent hij grote waarde toe aan de mogelijkheden van een milieukeur en 'groentax'. 'Dit laatste', aldus Overgaag, 'met het doel dat ongewenste, milieuvijandige produkten zichzelf uit de markt prijzen. Voor de meeste mensen loopt het milieubelang nu eenmaal via de portemonnee.'

Hij en Bruens achten 'tal van acties' nodig om in een generatie het door de regering beoogde evenwicht een wijze van produceren en consumeren die voldoet aan de voorwaarden van duurzame ontwikkeling te bereiken: 'Het Nationaal Milieubeleidsplan en de Derde Nota Waterhuishouding staan er vol mee en bijna iedereen heeft er de mond van vol. En toch', moeten ze droevig vaststellen, 'is er zo weinig zichtbaar resultaat'.

Zichtbaar, althans meetbaar is inmiddels de verlaging van het fosfaatgehalte in oppervlaktewater door de toepassing van fosfaatloze wasmiddelen. 'Maar', zet Overgaag een domper op de vreugde, 'daar is wel vijftien jaar discussie aan voorafgegaan, ook bijna een generatie. Een ander slecht voorbeeld vormen de verpakkingen die al ten minste tien jaar in bespreking zijn. De belangen van de industrie en de verschillende departementen lopen vaak niet parallel'.

Bovendien wringt het tussen de ministeries en wel zodanig dat Overgaag en Bruens, doelend op VROM, Verkeer en Waterstaat, Landbouw en EZ, van 'onverenigde Haagse departementen' reppen: 'Ze brengen helaas niet de wijsheid op om gezamenlijk aan de gestelde doelen te werken. Concrete maatregelen worden vaak interdepartementaal gefrustreerd door sectorbelangen, die boven het algemeen belang worden gesteld.

'Dus daarom zeggen wij: zet mensen van die vier departementen bij elkaar in een agentschap, ongeveer naar het voorbeeld van het Amerikaanse EPA, het Environmental Protection Agency, om een plan te maken en een gezamenlijk geluid af te geven: het geluid van de rijksoverheid. Wat we nu zien, is dat er op te veel plaatsen aan te veel verschillende knoppen wordt gedraaid.'