VORMGEVING VAN DAGELIJKSE GEBRUIKSGOEDEREN IN DE DDR; Aantrekkelijke, kleurloze armoede

Armoede. Veel meer dan dat stralen ze niet uit, de objecten die met zorg en vertedering zijn afgebeeld in de drietalige uitgave SED. Tot voor kort stond deze acronym ondubbelzinnig voor de afkorting van de Oostduitse Sozialistische Einheitspartei Deutschlands. Voor hun boek over Oostduitse 'design-fossielen' hebben auteurs Georg Bertsch en Ernst Hedler een paar betekenissen erbij verzonnen, zoals: Schones Einheitsdesign, of Stunning Eastern Design, of de meest toepasselijke Savoir Eviter le Design. Uitgangspunt was de verzameling van ontwerper Matthias Dietz en galeriehouder Christian Habernoll, die er in augustus van dit jaar in Frankfurt een tentoonstelling van maakte.

Aan de gebruiksvoorwerpen in de DDR is het westerse begrip 'design' vreemd. Natuurlijk hebben de fabrikanten in de meest letterlijke zin van het woord 'vorm' aan hun produkten gegeven, maar aangezien er geen concurrentie bestond was er geen enkele motivatie daarin geld of moeite te investeren. De pogingen om de consument te behagen en tot kopen te verleiden, zijn dan ook op de vingers van een hand te tellen. Het Golf-scheerapparaat bijvoorbeeld prijst zichzelf aan als Ein Qualitatsbegriff seit 1909. Maar de krulspelden zien er uit als martelwerktuigen en de verpakking van Wittol-schoencreme waarschuwt dat de inhoud wenig gesundheitsschadigend is. Vooral de kartonnen verpakkingen, zonder de glanzende plasticlaag waar we zo aan gewend zijn geraakt, zien eruit alsof ze eindeloos door de recycling zijn gegaan: vaal, geknakt, gekreukt - moe en der dagen zat. De vormgeving van dagelijkse gebruiksgoederen in de DDR heeft niet dertig jaar lang achtergelopen, die heeft uberhaupt niet gelopen.

Deze dingen en nog veel meer voorwerpen die de kleur, of beter gezegd de kleurloosheid, van het dagelijkse leven in de DDR, zullen vast verdwijnen zodra de bevolking zich de aantrekkelijker westerse equivalenten kan veroorloven. Want zoals het Oostduitse tijdschrift form und zweck als in 1965 met tegenzin constateerde: 'Zelfs in de socialistische samenleving is het verlangen blijven leven om je individualiteit te tonen door middel van materieel bezit.'

Marlboro zal het winnen van het volkseigene zaagsel dat onder de merknaam Karo wordt verkocht in grappige zwart-wit geblokte kartonnen doosjes; Vim reinigt vast beter dan Imi, al is die al veertig jaar aan dezelfde verpakking herkenbaar; de bruine papieren zakjes met opschriften als Freude am Einkauf en zelfs Reiche Auswahl zullen wijken voor plastic tasjes met schreeuwerige reclame; en de kans is groot dat Mondos, hoewel Heiss vulkanisiert, het tegen Durex zal afleggen. Van een gebruiksvoorwerp valt in ieder geval met zekerheid te zeggen, dat het niet door een Westerse variant zal worden vervangen: de SED-vaantjes waarmee het volk moest wapperen als zijn leiders voorbij kwamen, in het Duits genoemd 'zwaai-elementen'.

Karo, Imi en Mondos zullen onherroepelijk door de geschiedenis worden ingehaald. Dat is jammer, want juist hun gebrek aan pretentie maakt ze heel sympathiek. Sterker nog, zegt verzamelaar Matthias Dietz, 'deze produkten bezitten een zekere sensuele aantrekkingskracht in al hun eenvoud hebben ze iets wat wij hebben verloren. Ze verwijzen niet noodzakelijk naar de toekomst, maar ze dienen wel als een tot nu toe genegeerde bron van inspiratie.'

Dat sensuele wordt meer dan adequaat door de fotografie weergegeven. Eigenlijk zijn de foto's te mooi, de objecten lijken driedimensionaal van de pagina op te rijzen. Liefkozend tast de lens elke buts en kras af op het blikkerige bestek uit een Mitropa restaurant; de flessen, de bakelieten haspels, de badspons, de kleurige plastic eierdopjes, de ritselende verpakkingen van een beker vol nieuwe tandenborstels, allemaal hebben ze hier een aaibaarheidsfactor die ze in werkelijkheid ten ene malen ontberen.

De pracht van de foto's onderstreept de dubbelzinnigheid van dit boek. Aan de nostalgie die deze voorwerpen oproepen zit ook een wrange kant. In de manier waarop je als verwende westerling ernaar kijkt zit onontkoombaar iets meewarigs. Nostalgisch om je eigen verleden worden, of in ieder geval om die van je eigen cultuur, is heel iets anders dan weemoed om andermans armoede. Al bladerend door deze werkelijk fraaie foto's krijg je dan onwillekeurig een voyeuristisch gevoel, gene en opwinding tegelijk.

De intrigerendste vraag die dit boek opwerpt, maar die nog niemand kan beantwoorden, is: zullen de voormalige Oostduitsers hier ooit zelf nostalgisch van kunnen worden? Zullen ze elkaar porren en zeggen, goh, ja, weet je nog, die papieren meelzakken die al scheurden als je ernaar keek, die Imi-Starkreiniger waarvan de verpakking al veertig jaar hetzelfde was gebleven?

De auteurs noemen als hun beweegreden het feit dat de typisch Oostduitse vormgeving na de eenwording binnen afzienbare tijd tot het verleden zal behoren. In dit licht bezien is 'SED' inderdaad een vorm van documentatie, een 'bliksemexcursie in de design-archeologie' zoals ze het noemen. Maar er is meer. Juist vanwege zijn aandoenlijk armoedigheid worden al deze spullen ongetwijfeld collector's items. Heeft de Trabant niet al een eigen fanclub in Nederland, De Blauwe Walm geheten? Wat de Oostduitser verre van zich zal werpen zodra de kans zich aandient, zal de nostalgische westerling kraaiend van plezier uit de vuilnisbak halen en in een dure design-winkel te pronk zetten.

SED: Schones Einheitsdesign door Georg C. Bertsch en Ernst Hedler, uitg. Benedikt Taschen Verlag, imp. Librero, fl.29,95.