Kortzichtige kritiek op het maatschappelijk middenveld; Seris geen doelwit maar wapen

De aanval op het maatschappelijk middenveld is geopend. Het eerste salvo kwam van de fractievoorzitter van de Partij van de Arbeid, Th. Woltgens. De politiek moest haar rechten hernemen en terrein terugwinnen op adviesorganen als de SER. Direct daarna nam ook fractievoorzitter F. Bolkestein van de VVD stelling tegen de overdracht van overheidsbevoegdheden aan het maatschappelijk middenveld.

In het begin van de zomer waren de eerste bewegingen al waar te nemen. SER-kroonlid Wolfsen distantieerde zich toen publiekelijk van een SER-advies dat onparlementair en zelfs corporatistisch zou zijn. In NRC Handelsblad wakkerde E. J. Bomhoff onlangs het vuurtje aan.

De aanval treft het kabinetsbeleid midscheeps. De regeringsverklaring van kabinet Lubbers III had hoog opgegeven van de potentie van het maatschappelijk middenveld. Werkgevers, werknemers, scholen, ondernemingen, culturele instellingen en tal van andere verbanden moesten meer hun eigen zaken regelen. De overheid zou een stapje terug moeten doen. Aansluiting zou moeten worden gezocht bij het zelfregulerend vermogen van de samenleving en haar geledingen. Het maatschappelijk middenveld had de toekomst, het zou tal van taken die de overheid verricht beter zelf kunnen uitvoeren.

Wat betekent de aanval op het maatschappelijk middenveld? Is het puur toeval dat PvdA en VVD zij aan zij ten strijde trekken, of is het CDA bewust het doelwit? Het CDA heeft de meeste banden met de instituties van het middenveld. De overlegeconomie stoelt grotendeels op een traditioneel christelijk streven naar 'familiegevoel' in de politiek. Mocht er geen sprake zijn van een aanval op het CDA, dan moet toch in ieder geval het kabinetsbeleid het ontgelden en wordt de positie van organen als de SER onbarmhartig ter discussie gesteld.

Toporgaan

Laten we de SER, het toporgaan van consultatie en overleg in het economisch beleid, eens nader bezien. In de SER discussieren werkgevers en werknemers samen met onafhankelijke Kroonleden over het kabinetsbeleid. Dit mondt uit in openbare adviezen, die overigens zelden unaniem zijn, maar die de overheid een getrouw beeld geven van wat er in sociaal-economisch Nederland leeft. Het resultaat is ook niet meer dan een advies, regering en parlement kunnen het naast zich neerleggen. Dat gebeurt wel eens. Al adviserend worden werkgevers en werknemers partners tegen wil en dank, niet uit romantische liefde maar uit een strategische behoefte: zij zullen elkaar steeds weer tegenkomen. Onbetwist geeft de Grondwet de politiek echter het laatste woord.

Het verwijt van corporatisme stapt hier wat al te gemakkelijk overheen. Corporatisme heeft een kwalijke betekenis. Het verwijt is ernstig en werkt als een boemerang. Bij de politiek ligt in ons constitutionele systeem de hoogste macht. Als er al sprake zou zijn van corporatisme verzaakt de politiek haar plicht.

De SER is verweten een bolwerk te zijn van een inspraak-elite. Dat geldt voor meer adviesorganen. Slechts erkende organisaties die voldoen aan door de overheid gestelde representativiteitseisen mogen de overheid adviseren. Sommige groeperingen (gehandicapten en bejaarden bijvoorbeeld) voelen zich buitengesloten. De stoep van het advies- en overlegcircuit is hoog. Toch leert de ervaring dat bepaalde groepen met doorzettingsvermogen op den duur een positie in adviesorganen kunnen verwerven.

Gevaar

Een ander punt van kritiek is, dat de organisatiegraad van werknemers in Nederland relatief laag is. Zo zou de legitimiteit van de werknemersvertegenwoordiging in gevaar kunnen komen. De vraag is echter of de organisatiegraad van werknemers, in sociaalrechtelijke verhoudingen nog steeds de zwakke partij, wel tegen hen gebruikt mag worden. Vooral als we kijken naar de vele malen lagere organisatiegraad van de Nederlandse kiezer.

Een zwaarder punt van kritiek betreft de kosten van overlegorganen. Wat koopt de belastingbetaler hiervoor? En nog ernstiger lijkt het, dat maatschappelijke organisaties op deze manier met overheidsgeld worden gesubsidieerd.

Hoe kortzichtig de kritiek op het maatschappelijk middenveld is, kan het beste duidelijk worden gemaakt aan de hand van het kostenoverzicht. Misschien zijn de huishoudelijke kosten van de SER en van andere advies- en overlegorganen inderdaad goed voor enkele duizenden arbeidsplaatsen elders. Veel belangrijker is het om eens te kijken naar de macro-economische winst- en verliesrekening van de overleg-economie.

In Westerse democratieen geldt inspraak en medezeggenschap in het overheidsbeleid als een beginsel van recht en democratie. De vraag is hoe inspraak en overleg zijn georganiseerd. In landen waar geinstitutionaliseerd overleg ontbreekt is de behoefte aan inspraak niet minder. De burgers moeten het zelf organiseren. Waartoe dit leidt, wordt duidelijk in de Verenigde Staten. Aan rechtsstaat en democratie ontbreekt het niet, integendeel, de inspraakmogelijkheden zijn legio. Ieder kan er in beginsel deelnemen aan de overheidsbesluitvorming.

De praktijk is minder rooskleurig. Washington lijkt uitsluitend bevolkt met lobbyisten en advocaten die gespecialiseerd zijn in belangenbehartiging en overheidsadvisering. Veelvuldig wordt de rechter erbij geroepen om te oordelen of er met inspraak wel rekening is gehouden. Eindeloze procedures en vertraging in de besluitvorming bepalen het beeld. De kosten zijn astronomisch hoog: het systeem nodigt uit tot inspraak en procedures en de tarieven van de specialisten zijn niet mals. De investeringen van deelbelangen in deze politieke markt zijn gigantisch. En wie geen geld heeft, kan naar macht fluiten.

In vergelijking hiermee is de Haagse besluitvorming razend-goedkoop en effectief. Dat valt helaas niet altijd meteen op. De geprivatiseerde collectieve lasten van het Amerikaanse systeem zitten hier nog in de rijksbegroting. Wie uit Washington naar Den Haag komt, ervaart dat de behartiging van het algemene belang hier nog betaalbaar is. En we betalen allemaal wat, ook voor zwakkere groepen.

Onthullend

De economische effecten omvatten meer. Onthullend is een recent Amerikaans onderzoek waaruit blijkt dat de concurrentiepositie van Nederland dankzij de overlegdemocratie gunstig afsteekt. De Amerikaanse hoogleraar-jurist Robert Kagan heeft duidelijk gemaakt dat Rotterdam de eerste wereldhaven kon worden dankzij het overleg tussen werkgevers, werknemers en overheid. De concurrentiekracht van Nederland hangt dus voor een belangrijk deel af van het familiegevoel in het maatschappelijk middenveld.

Tegen deze achtergrond blijkt hoe kortzichtig het is om mee te huilen in het modieuze lied tot afschaffing van de SER en dergelijke organen. Wat als toppunt van grijze Nederlandse compromisvorming wordt afgeschilderd, is internationaal gezien een krachtig wapen.

Er is nog een reden om te pleiten voor behoud van de overlegdemocratie. De ene lobbyist na de andere vestigt zich in Brussel, dat zich zich snel ontwikkelt tot een ondoorzichtige politieke jungle. Op termijn doet dat afbreuk aan de geloofwaardigheid van de Europese Gemeenschappen. In Europa wordt nu de keuze tussen het Amerikaanse model (inspraak voor iedereen, openbaar) en het Haagse model (overleg met representatieve groepen in de samenleving) met de dag actueler. Federaal Europa leent zich te vanzelfsprekend voor amerikanisering. Nederlandse ondersteuning van het streven van de EG-Commissie naar meer gestructureerd overleg zou niet misstaan.

Het gaat niet aan de SER met de heg gelijk te scheren en zo een sterk exportprodukt te verliezen. Laat de politiek haar rechten hernemen door zich internationaal op te werpen voor Nederlandse verworvenheden in plaats van het eigen nest te bevuilen.