Israelisch zelfbedrog

Israel verdedigt zich niet alleen met wapens en diplomatie, ook met censuur. Palestijnse intellectuelen dienen alles wat zij willen publiceren aan militaire censores voor te leggen; zelfs dichters ontkomen er niet aan. Elk woord wordt gewogen en kan worden geschrapt. (David Grossman, Over de grens: Zoeklicht op de Westelijke Jordaanoever, 1988).

Israeliers die iets te berde willen brengen, passen een andere werkwijze toe: zij censureren zichzelf. Van joodse journalisten, elders werkzaam, wordt hetzelfde verwacht. Niemand minder dan minister-president Shamir suggereerde zelfcensuur toen hij begin van dit jaar een internationaal congres van joodse media-medewerkers toespraak. Naast kritiek vond hij bijval. Een Amerikaanse journaliste vatte haar 'beroepsethiek' samen in het adagium: 'schrijf niets dat Israel kwaad kan doen'. Een oudgediende, de 81-jarige columnist Joseph Polakoff uit Washington, zei het nog duidelijker: 'Als joodse journalisten moet ons eerste doel zijn de handhaving en de kracht van Israel.' (The Jerusalem Post, Internationale editie van 27-1-90.)

De verslaggeving over het recente bloedige incident op de Tempelberg van Jerusalem laat zien waartoe zo'n houding kan leiden. A. M. Rosenthal, columnist van de New York Times, reduceert de gebeurtenissen tot een simpel complot: 'een val met mensen als lokaas', gezet door Saddam Hussein en de PLO. Palestijnen werden aangenoedigd 'Israeliers te stenigen aan de voet van de muur waar joden door de eeuwen heen bijeen kwamen om te bidden en niet te vergeten.' (de Volkskrant, 16-10-90.)

Ook in Nederland kwam de propaganda-machine ogenblikkelijk in werking. R. Naftaniel, directeur van het Centrum voor Informatie en Documentatie Israel, ontwierp een soortgelijke constructie: een Palestijnse 'provocatie' die neerkwam op 'spelen met vuur'. Een hartroerend en schokkend beeld: de 'regen van stenen en andere projectielen, die drieduizend Palestijnse extremisten maandag op joodse gelovigen bij de Klaagmuur deden neerdalen' (NRC Handelsblad, 12 oktober). Drieduizend stenengooiers wat een fantasie! en niemand werd gewond wat een mirakel!

Gelukkig kent Israel ook integere waarnemers. Zij hebben zich verenigd in de mensenrechten-organisatie Betselem, speciaal opgericht als tegenwicht voor de eenzijdige berichtgeving over de intifadah. Hun voorlopige reconstructie heeft inmiddels de versie van de Israelische politie en dus van de joodse journalisten ernstig ondermijnd.

Het propagandistische element zich onder meer in het suggestieve contrast tussen geweld plegende 'extremisten' en 'biddende vromen'. Helaas zijn sommigen van die vromen met machinepistolen uitgeruste religieuze fanaten terwijl de 'extremisten' vaak opgeschoten jongens zijn die het met een handvol stenen moeten doen. Over de moslimgelovigen die de toegang tot hun gebedsruimte door Israelische militairen zien versperd, spreekt uiteraard niemand. Er zijn in Jeruzalem gelovigen in soorten, en je moet wel bij de sterkste groep horen.

De andere truc bestaat in het beklemtonen van het verband tussen de Palestijnse actie en de rol van Saddam Hussein, waardoor de Palestijnse zaak meteen is gecompromitteerd. Hoe het komt dat vele Palestijnen voor de Iraakse dictator kiezen, blijft buiten beschouwing. Daarop ingaan, wijst terug naar de Israelische verantwoordelijkheid voor de bestaande haat tussen joden en Palestijnen, en dat kan natuurlijk niet de bedoeling zijn.

Bijzonder kras gebeurt het isoleren van het incident in een ingezonden brief in de Volkskrant van 13 oktober. Onder de titel 'Selectieve verontwaardiging over bloedbad op Tempelberg' wordt een boeiende vergelijking getrokken. Stel, zegt de inzendster, dat op het Sint-Pietersplein vol biddende gelovigen, een groep joden van de colonnade van de Sint-Pieter met stenen gaat gooien. Wat zou de politie doen? (De schrijfster gelooft kennelijk serieus dat de Zwitserse Garde 19 joden zou doodschieten en 150 van hen verwonden, maar dat terzijde.)

Voorts vraagt zij zich af hoe de wereld opinie zou reageren. Zij bedoelt: die zou de kant van de belaagde roomse menigte kiezen. Welnu, in het geval van de Tempelberg trekt men partij voor de aanvallers. De verklaring laat zich raden: antisemitisme!

De vergelijking is aardig gevonden maar onvolledig. Laat ik het beeld completeren. De joden die op het Sint-Pietersplein in actie komen, hebben vroeger in Rome gewoond maar mogen daar niet meer terugkeren. Ze bewonen een gebied dat door de Romeinen is bezet. Romeinse kolonisten hebben zich op strategische punten gevestigd en het leger patrouilleert dag en nacht door de woongebieden. Vele joden bevinden zich al jarenlang, zonder vorm van proces, achter prikkeldraad. Hun leiders zijn verbannen. Ze hebben geen burgerrechten. Voor de Romeinse bevolking verrichten ze het vuile en onaangename werk, vaak in losse arbeid, waartoe ze op zogenaamde 'slavenmarkten' worden gerecruteerd.

De Romeinse regeringsleider spreekt over de joden als 'sprinkhanen'. Bijna de helft van de Romeinse bevolking toont zich volgens opinie-onderzoek voorstander van een algehele verwijdering van de joodse bevolking uit het gebied dat zij thans bewonen. Een minister, een notoire oorlogsmisdadiger met de eigenaardige naam Ariel Sharon, ijvert dan ook voor een Groot-Rome waarin joden geen plaats zullen vinden.

Een deel van deze joden pleegt al jarenlang verzet tegen het onrecht dat hun wordt aangedaan. Als het gerucht gaat dat fanatieke Romeinen symbolisch een steen willen leggen voor de herbouw van een kerk, op de plaats waar zich thans de hoofdsynagoge bevindt, slaat de vlam in de pan. De Romeinse veiligheidstroepen zijn echter paraat; zij zijn zeer geoefend in het onderdrukken van opstanden. Ze maaien de joden met gericht vuur weg nog voor ze werkelijk kwaad kunnen doen.

De vraag naar de mogelijke reacties in de wereld laat zich nu heel wel beantwoorden.

Wat ik wil betogen is dit: als de Palestijnen Saddam Hussein als een bevrijder huldigen, moet hun positie wel bijzonder wanhopig zijn geworden. De Israeliers hebben er naar vermogen aan meegewerkt die wanhoop te vergroten. Als die Palestijnse wanhoop in haat omslaat en tot geweld leidt, gaan zij niet vrijuit.

Mogelijk verkeren zij niet in de positie veel begrip te kunnen opbrengen voor de Palestijnse zaak. De werkelijkheid onder ogen zien die zij mede zelf hebben geschapen, is echter wel het minste dat men van hen mag verwachten.