De karikaturen van de nieuwe Europese orde

Het herstel van de eenheid van Duitsland en van Europa zal er zeker toe leiden, dat Midden- en Oost-Europa nu ook betrokken zullen worden bij het integratieproces het proces van voortschrijdende wederzijdse afhankelijkheid van West-Europa. In dat opzicht zal het herstel van de eenheid zeker leiden tot meer 'continentalisering' van Europa, zoals Paul Scheffer op 2 oktober op de opiniepagina van NRC Handelsblad heeft betoogd.

Maar wat Scheffer bedoelt met continentalisering is duidelijk iets heel anders, namelijk dat de Europese politiek door de eenwording meer en meer een zaak van uitsluitend de continentale landen zal worden, omdat de Verenigde Staten niet langer als het 'buitengaatse centrum' van Europa kunnen worden beschouwd. 'Europees evenwicht' is voor hem kennelijk het evenwicht van een Europees Europa, waarbij de vraag of er wel een evenwicht mogelijk is tussen West-Europa en de Sovjet-Unie met haar nog altijd overweldigende militaire potentieel, buiten beschouwing wordt gelaten.

In deze visie wordt 'continentalisering' van de Europese politiek duidelijk gezien als een alternatief voor een politiek die uitgaat van het bestaan van een wereldomvattende interdependentie. Die indruk wordt versterkt door de opmerking in Scheffers artikel van 31 augustus op deze pagina, dat wij ondanks of misschien wel dankzij de oorlogsdreiging (in de Golf) leven in een tijd van internationale euforie, waarin het geloof in interdependentie als drijvende kracht naar een harmonieuzer wereldorde onaangevochten lijkt.

Historisch

Maar interdependentie is geen zaak, waarin men al dan niet 'geloven' kan en zeker niet als 'drijvende kracht naar een harmonieuzer wereldorde'. Zij is een historisch gegroeid feit, het resultaat van ontwikkelingen die de laatste vijf eeuwen van Europa zijn uitgegaan: economische, politieke en technische. Waarbij de oorlogstechniek een bijzonder belangrijke rol heeft gespeeld. Op zijn hoogst kan men 'geloven' zich aan de gevolgen van deze interdependentie te kunnen onttrekken, zoals het Duitse Rijk deed in de jaren dertig met zijn autarkiepolitiek. De gevolgen daarvan zijn maar al te bekend. En voor herhaling ook niet op 'gecontinentaliseerde' schaal moet dit experiment niet vatbaar worden geacht.

Want de vele honderden miljarden D-mark die nodig zullen zijn voor de wederopbouw van Midden- en Oost-Europa zullen niet alleen op de Europese markt kunnen worden verdiend, zij zullen ook uit de overschotten van de handel op de wereldmarkt moeten komen. Nog afgezien van het feit, dat door de opkomst van de internationale bedrijven, niet alleen de handel, maar ook de produktie is gemondialiseerd.

Juist door actief te zijn op de wereldmarkt heeft de Bondsrepubliek haar positie van economische reus kunnen bereiken. En dat het herenigde Duitsland op die weg denkt voort te gaan heeft president Pohl van de Bundesbank dezer dagen nog eens duidelijk gemaakt. Terwijl de activiteit in talrijke industrielanden is verminderd, constateert men dat de economische dynamiek van een verenigd Duitsland werkt als een locomotief voor de groei van de wereldeconomie en die rol zal nog sterker worden, zo zei Pohl dezer dagen op een bijeenkomst in Frankfurt.

Storingen

Niemand die zinnig over interdependentie spreekt en er geen karikatuur van maakt zal het in zijn hoofd halen er 'een drijvende kracht naar een harmonieuzer wereldorde' in te zien. Hoe complexer een systeem, hoe groter de kans op storingen en complicaties, hoe meer mogelijkheden tot conflict. En hoe groter het gevaar voor elk afzonderlijk land. Het was De Gaulle die daaruit als een der eersten politieke consequenties heeft getrokken, vooral voor Frankrijks veiligheidspolitiek.

Zijn uitgangspunt was daarbij, zo blijkt uit zijn rede van 1959 in de Ecole Militaire in Parijs, dat Frankrijk thans 'van elk willekeurig punt der aarde uit vernietigd kan worden'. Dat wil zeggen hij constateerde Frankrijks militaire afhankelijkheid van elk punt der aarde. En hij wilde zijn land daartegen wapenen door een 'force de frappe' op te stellen, gebaseerd op het atoomwapen, die in staat moest zijn op elk punt van de aarde in te grijpen.

Tegenover een universeel gevaar stelde hij dus een volstrekt individuele oplossing. Een oplossing bovendien waarvan maar al te duidelijk was en is, dat zij de middelen van een land als Frankrijk verre te boven gaat. En die dan ook geen bijdrage genoemd kan worden tot intoming van de gevaren die voortkomen uit het voortdurend meer met elkaar verstrengeld raken van volken waarvan men nog niet zo lang geleden kon menen, dat zij in verschillende werelden woonden. In feite is deze Franse conceptie het recept voor een atoomoorlog van allen tegen allen, elk land voorzien van zijn eigen atoomwapen, bereid overal ter wereld atomair in te grijpen.

Tegen die achtergrond is een andere opmerking van Scheffer in zijn beschouwing van 31 augustus van een verbijsterende lichtvaardigheid. Ik doel op zijn stelling dat het geloof in een conflictvrije orde onder het schild van de Verenigde Naties een vorm van bijziendheid is die juist een land als Nederland zich niet kan veroorloven. Want ook hier moet worden geconstateerd, dat Scheffer een karikatuur tekent. En ook hier gaat het niet om een geloof en al zeker niet om een geloof in een nieuwe conflictvrije orde dankzij de Verenigde Naties.

Waar het wel om gaat is hoop. De hoop, dat het via een universele organisatie als de Verenigde Naties mogelijk zal zijn de universele gevaren die voortvloeien uit de toegenomen en toenemende interdependentie zodanig te beheersen en te kanaliseren dat een menselijk bestaan op deze aarde mogelijk zal blijven. En zinvol kan de hereniging van Duitsland en Europa slechts worden als zij daartoe een bijdrage levert.

Meer perspectief ligt dan ook in de verklaring van de jongste top van het Atlantische Pact in Londen, waarin wordt gesteld dat de NAVO een instelling moet worden waar Europeanen, Canadezen en Amerikanen niet alleen samenwerken voor de gezamenlijke verdediging, maar ook om nieuwe partnerschappen aan te gaan met alle Europese naties. En voorts dat de Atlantische Gemeenschap zich moet openstellen voor de landen van het Oosten die onze tegenstanders waren in de Koude Oorlog.