De 'grootse' stijl van Chailly gaat ten koste vanevenwichtigheid

Terug van een lange buitenlandse tournee, onder andere door de Verenigde Staten, is het Concertgebouworkest weer terug in Amsterdam met Wagner, Diepenbrock, Brahms en chef-dirigent Ricardo Chailly, die erg zijn best doet om bijna alles zoveel mogelijk anders te laten klinken.

De ouverture en het Bachanaal uit Tannhauser doen zelfs Italiaans aan. De contrasten in de ouverture worden flink aangezet, waarbij het koper soms de strijkers overstemt. De orkestrale virtuositeit in het Bachanaal drijft hij op tot een verblindend spektakel met een spetterende climax. Daarna keerde wel de Wagneriaanse rust langzaam en tevreden terug in het tempo, maar te weinig in de klank: bij Chailly telt de brille meer dan de sonoriteit.

In de Hymne an die Nacht (1899) van Diepenbrock op een gedicht van Novalis leek mij het tempo iets te hoog om de sopraan Arleen Auger haar lyrische kwaliteiten ten volle te kunnen laten ontplooien en te komen tot een wat meer extatische expressie. Maar misschien ligt dat ook aan onrechtmatige verwachtingen: telkens hoort men aanzetjes die herinneren aan de nog laat-romantische Arnold Schonberg (Verklarte Nacht, ook uit 1899!) en aan orkestliederen van Richard Strauss, zonder dat die door Diepenbrock op soortgelijke wijze worden uitgewerkt.

Diepenbrock gaat daarvoor wellicht toch te veel uit van de tekst zelf: hij illustreert die en begeleidt die, ondanks de instrumentale tussenstukken, iets te nauwgezet regel voor regel, waardoor een wat schools-opzeggerige indruk ontstaat van iets dat toch sinds prof. Reeser het genre typeerde een 'symfonisch lied' heet.

Het probleem van die nadrukkelijke kortademigheid bij Diepenbrock beheerste ook de delicate schering en inslag-opbouw in het eerste deel (Allegro ma non troppo) van Brahms Vierde symfonie. Maar daarna ging het ondanks een wat al te stevige aanpak van Chailly beter. En het Allegro giocoso, dat mij altijd herinnert aan een paleisbal in een Tsjaikowski-ballet, lijkt zoals hij dat dirigeert, zelfs speciaal voor Chailly gecomponeerd.

De grootste, zelfs martiale stijl die Chailly voortdurend nastreeft leidt soms tot een wat al te opgefokte sfeer, overdreven contrasten en een overmaat aan zeer luide en hoge noten, die dan bij de violen een wat blikkerige expressie veroorzaken en afbreuk doen aan de vertrouwde warme klank van het Concertgebouworkest. Misschien moet ook hier de uitvoering tijdens de komende concerten weer 'groeien', maar ook op de eerste avond misstaat evenwichtigheid niet.