Berlijn in de greep van nieuwe beeldenstorm

BERLIJN, 18 okt. Berlijn is, niet voor het eerst in zijn geschiedenis, in de greep van een beeldenstorm. In snel tempo verdwijnen de gedenkplaquettes voor de helden van het 'werkelijk bestaand socialisme' uit het straatbeeld van Oost-Berlijn. Huiseigenaren verwijderen met de schroevedraaier de aanduidingen dat hier toen en toen Ernst Thalmann, de in 1944 in het kamp gestorven communistische leider, de arbeidende klasse heeft toegesproken, of dat Friedrich Engels ergens de nacht heeft doorgebracht.

Tegenover het spoorwegstation Friedrichstrasse kan de voorbijganger de edele trekken van laatstgenoemde nog zien op een bronzen medaillon. De bronzen plaquette met de uitleg eronder is al verdwenen. Eenzelfde lot trof een aan de gevel van het station hangende gedenkplaat voor twee Duitse soldaten die in de laatste fase van de slag om Berlijn in 1945 wilden drossen en daarvoor door de SS ter plekke zijn opgehangen. Een groep verontwaardigde Berlijnse burgers wil deze plaquette ten minste provisorisch weer op zijn plaats brengen. Weinig hoop daarentegen bestaat meer voor de plaquette op het geboortehuis van Egon Schultz, een Oostduitse grenswachter die in 1964 bij de uitoefening van zijn taak werd doorgeschoten door kapitalistische agenten, zei de DDR, door zijn eigen collega's, zei het Westen.

Berlijn is, als de meeste Oosteuropese hoofdsteden, rijk bedeeld met monumenten waarmee de machthebbers van de laatste decennia hun gelijk zichtbaar hebben willen maken. De grotere objecten, die zich moeilijk met een schroevedraaier onschadelijk laten maken, staan er nog. Het uit 1948 daterende, door de Russen opgetrokken monument voor de gevallen Sovjet-soldaten in het Treptower Park werd weliswaar al eind vorig jaar met verfbommen ontwijd, maar dat bleek te gaan om een vergeefse poging van de geheime dienst, de Stasi, aan te tonen dat er gevaarlijke elementen aan het werk waren geweest en de staatsveiligheidsdienst dus ook na de 'Wende' een taak zou hebben.

Verder staan ze er min of meer ongeschonden bij: de uit 1968 daterende, geheel uit granietblokken bestaande, negentien meter hoge Lenin-kop van de Russische beeldhouwer Nikolaj Tomski, bekend Lenin-leverancier van de socialistische wereld. De dertien meter hoge Thalmann-kop op sokkel van de eveneens Russische beeldhouwer Lev Kerbel uit 1986 in het district Prenzlauer Berg maar zonder de later aangebrachte plaquette met het citaat van Erich Honecker, want die heeft de wijkgemeenteraad laten weghalen.

In een zaaltje van datzelfde stadsdistrict zitten enkele tientallen mensen bijeen voor een podiumdiscussie. Ze zijn verontwaardigd: 'Er moet niet opnieuw, zoals in 1945, een ongecontroleerde verdringing van de geschiedenis plaatshebben door het weghalen van deze monumenten zonder enige publieke discussie', vindt een lid van het comite 'Politieke monumenten in de DDR'. 'Dat komt alleen maar diegenen ten goede die hun eigen verantwoordelijkheden aan het oog willen onttrekken.'

Alle op het podium genodigde kunsthistorici, journalisten uit beide delen van de stad, toeschouwers, zijn het van harte met de jongen eens. Tevergeefs betoogt de Oostberlijnse wethouder van culturele zaken, mevrouw Irena Rusta, dat haar beleid gunstig afsteekt bij dat van haar communistische voorganger in het ambt, die na de 'Wende' in de DDR een dienstorder had uitgevaardigd dat 'alle socialistische momumenten' in Oost-Berlijn moesten worden opgeruimd. Alleen al het feit dat de wethouder een commissie heeft opgericht die zich over de kunstzinnige waarde en toekomst van de objecten in kwestie moet buigen, gaat de aanwezigen te ver: handen af in afwachting van discussie. De wethouder glimlacht maar wat: op 2 december wordt het eerste gezamenlijk-Berlijnse stadsbestuur gekozen en eindigt haar taak.

Weinig begrip is er ook voor die ene aanwezige die meent dat vernietiging van de zegepraal van het socialisme niet te vermijden is, omdat 'monumenten altijd worden opgericht door de heersende klasse. Honecker, die reed natuurlijk graag langs zo'n beeld met een gebalde vuist, maar Kohl ergert zich als hij in zijn auto voorbijkomt'.

Een beeldhouwster betoogt dat over de monumenten in kwestie niet beslist mag worden zonder inspraak van de soms nog levende kunstenaars. De monsterlijke Thalmann waartegen voor de oprichting onder de in Prenzlauer Berg dik gezaaide intellectuelen overigens enig timide en vruchteloos protest was gerezen is door een Russische collega gemaakt omdat geen DDR-beeldhouwer eraan wilde. De meer menselijke afmetingen van de Marx en Engels op het naar hen genoemde plein een produkt van de Oostduitse kunstenaar Ludwig Engelhardt uit 1986 moet daarentegen worden gezien als een impliciet protest tegen de megalomane partijleiding, vertelt ze. Inderdaad maken de twee vaders van het wetenschappelijk communisme, slechts 3,60 meter hoog, in vergelijking met andere standbeelden een haast gemoedelijke indruk. Wel vraagt de voorbijganger zich af wat de schepper heeft bewogen de twee met bovenproportioneel grote handen uit te rusten.

Alle weloverwogen discussie ten spijt gaat in de straten van Berlijn de beeldenstorm verder. Wilde plannen worden met name gesmeed voor het zogeheten Kampfgruppendenkmal, eveneens in Prenzlauer Berg. De uit 1983 daterende beeldengroep eert de arbeidersmilities die in 1961 bij de bouw van de Muur zo'n belangrijke rol speelden. Het wijkgemeentebestuur wil er nu wat overgebleven muursegmenten voor zetten. Anderen in de wijk bepleiten daarentegen een meer verzoenende conceptie, door namelijk het geheel met bloeiende wijnranken aan het oog te onttrekken.

Inmiddels zijn bij de stadsbesturen in beide delen van Berlijn al tientallen plannen ingediend voor monumenten ter herinnering aan de opening van de Muur in 1989 en de Duitse vereniging van 1990.