AGRESSIEF DEBUUT VAN PAVEL LOENGIN; Altijd nacht in Moskou

Sjacheren en sjoemelen, dat zijn de voornaamste middelen van bestaan voor de Moskouse taxichauffeur Sjlikov. 'Ik werk me kapot terwijl jullie met God praten' vat hij het zelf samen en Pjotr Zajtsjenko, de acteur die hem speelt, laat zijn smalle ogen steeds boosaardig-goochem glimmen. Voor zijn debuut Taxi Blues, werd de Sovjet-regisseur Pavel Loengin in Cannes bekroond met de Prijs voor de Beste Regie en dat verdiende hij. Vooral door zijn intense indeling van de beelden en zijn bijna malend te noemen regie van de acteurs krijgt het verhaal van die Sjlikov zo'n overweldigend effect.

Sjlikov vindt zichzelf hoogstaand en onkwetsbaar. Hij denkt dat hij de blauwdruk kent voor een verantwoord leven en die legt hij aan anderen op, als het moet met grof geweld. De blauwdruk wordt zijn ondergang. Hij past hem toe op iemand in wie hij een zwakkeling denkt te herkennen: een drankzuchtige saxofonist. Zo'n slappe kunstenaar zal baat hebben bij een degelijke heropvoeding, hij zal Sjlikov uiteindelijk dankbaar zijn. Gemakkelijk is het niet. Zo verweekt is de nietsnut dat hij op vernedering en mishandeling reageert of het hem niet aangaat. Sjlikov waant zich meester van de situatie. Hij gaat zelfs zover dat hij zichzelf een enkele traan toegeeft bij de muziek uit het Amerikaanse instrument. Maar tot zijn ontzetting streeft de zwakkeling hem op alle fronten voorbij en het ergste is dat die degenere zich niet extra hoeft in te spannen. Hij hoeft alleen maar gelaten af te wachten en uit te houden en vervolgens bereikt hij alles waar Sjlikov alleen maar van kan dromen. Sjlikov raakt buiten zichzelf. Hij dorst naar het bloed van zijn 'protege', maar met zijn bloedwraak bereidt hij slechts zijn eigen einde, zo niet fysiek dan toch moreel.

Loengin maakte van Taxi Blues een agressieve film, kil van licht, woest van camerabeweging. Er wordt veel in gevochten, geduwd, geschreeuwd, gescholden. Wie sympathie opvat voor een ander drukt dat uit met klappen of minachting. Eenzaamheid is uitgangspunt, wanbegrip de maat en zwaarmoedig alcoholgebruik de regel. Moskou wordt neergezet als een woestijn van asfalt, gebarsten beton en afbrokkelende baksteen. Het is bevolkt door een leger van haveloze zwervers die in de hand worden gehouden door een handjevol zelfvoldane arbeiders. Altijd is het er nacht, in de huurkamer van Sjlikov is daglicht zelfs niet welkom: het raam is afgeplakt.

Het ligt voor de hand om Taxi Blues uitsluitend te beschouwen als een messcherp, cynisch commentaar op de stand van zaken in de samenleving in de Sovjet Unie en op de positie van de kunstenaar in het bijzonder. Loengin werd zelf zo beschrijft hij, jaren lang vernederd door de Russische autoriteiten, net zoals zijn saxofonist door de taxichauffeur. Op het moment van het schrijven van deze film kon hij alleen maar hopen dat het hem verder ook zou vergaan als zijn personage, maar inderdaad kwam wat hij bedacht bvoor zijn saxofonist uit voor hem zelf: hij werd uitgenodigd door een westerse producent die hem in staat stelde zijn kunstvorm uit te oefenen en hij woont nu in Parijs.

Maar zijn film roept algemener associaties op. Voor alles herinnert de rol van het geweld in relatie tot het handhaven van een morele orde aan die andere film over een taxichauffeur: Martin Scorseses Taxi Driver. Ook daar besluit een taxichauffeur in een nachtelijk grotestads-landschap dat het zijn speciale opdracht is om een eind te maken aan het verval dat hij om zich heen (en om te beginnen in zijn auto) steeds feller ziet opflakkeren. Ook daar wordt loutering gezocht in geweld. Ook daar zijn de motieven van de hoofdpersoon alleen oppervlakkig gezien naar buiten gericht en in feite egocentrisch. In beide films zijn de chauffeurs immers uit op de redding van de eigen ziel en niet op die van een ander of van een failliete maatschappij.

Alleen waar Taxi Driver's Travis Bickle een oorlog aangaat met de verdorvenheid in het algemeen, zoekt de sluwer Sjlikov uit Taxi Blues het, met dezelfde middelen, in de 'redding' van een, volgens hem mies element. Komt het door dat verbijzonderen, dat toespitsen, dat Taxi Blues me minder aangreep dan Taxi Driver? Of ligt de oorzaak daarvan in Loengins partijdigheid tegen zijn chauffeur, waar Scorsese al zijn raffinement aanwendde om zijn publiek te verlokken tot gevoel voor iemand die het wil haten?