ZEVEN RAMPSCENARIO'S NA ZEVEN VETTE JAREN

Na de langste naoorlogse periode van economische groei is het woord recessie plotseling op ieders lip. Hoge olieprijzen, Golfcrisis, een zwakke dollar en de neergang van de Japanse beurs wakkeren mondiaal het gevoel van economische onzekerheid aan. Nederland doet het nog relatief goed, hier lijkt meer sprake van een bedrijven-crisis. Zeven gevaren bedreigen de wereldeconomie.

Na zeven vette jaren volgt een onzekere, magere tijd. Recessie, een begrip dat uit het vocabulaire van zakenlieden en financiers verbannen was, is plotseling op ieders lip en siert de omslagen van gezaghebbende economische tijdschriften. Na de diepe duik van de economieen in de industrielanden in 1974-75 en 1981-82 staat de recessie 1990-91 voor de deur. De klap zal ongelijk aankomen: hard in de Angelsaksische landen, zacht in West-Europa, niet of nauwelijks in de Bondsrepubliek en Japan.

De hoge olieprijzen en de Golfcrisis maken de economische onzekerheid groter, maar het zijn niet de aanstichters van de komende crisis. Amerikaanse deskundigen zijn van mening dat de Verenigde Staten al in juni in een recessie zijn beland. Hetzelfde geldt voor Groot-Brittannie, terwijl Canada en Australie vanaf het begin van het jaar stagneren. Een recessie wordt officieel gedefinieerd als twee achtereenvolgende kwartalen van negatieve groei.

Jacob Frenkel, de 'chief economist' van het Internationale Monetaire Fonds, wrong zich vorige maand in alle mogelijke bochten om het woord recessie te vermijden. Het IMF rekende in september nog steeds op voortgaande groei in de industrielanden: gemiddeld iets minder dan twee procent in 1991 bij een olieprijs van dertig dollar per vat. De Oeso, de club van 24 industrielanden, is in een nog niet gepubliceerd rapport somberder met een gemiddelde groei van slechts 1,5 procent in 1991.

Dit gemiddelde werkt versluierend. Zowel het IMF als de Oeso stellen vast dat sprake is van een ' a-synchroon verlopende conjunctuur': slappe tijden in de VS en Groot-Brittannie en rokende schoorstenen in Duitsland en Japan. Die onevenwichtigheid is goed voor de wereldeconomie: niet alle seinen springen tegelijk op rood.

In de VS grijpt het pessimisme om zich heen. Enkele maanden geleden betwijfelden veel Amerikaanse economen of er wel een recessie zou komen. Nu vragen ze zich af of de komende recessie kort en mild of krachtig en langdurig zal zijn. Een direct antwoord is moeilijk te geven omdat de onzekerheden zo groot zijn. Maar er zijn wel verschillende scenario's op te stellen, die aangeven wat waar mis kan gaan.

1 Oorlog in het Midden-Oosten IN HET MIDDEN-OOSTEN breekt een oorlog uit. Door vernietiging van de olie-installaties in Irak en Saoedie-Arabie gaat de produktie van tien miljoen vaten olie per dag verloren. De olieprijs schiet omhoog tot 65 dollar per vat en stabiliseert daarna gedurende een jaar of vijf tussen de dertig en veertig dollar. Pas als nieuwe olievelden in produktie zijn genomen, de verwoeste installaties zijn hersteld en alternatieve energiebronnen zijn ontwikkeld, daalt de prijs.

De Wereldbank, die een olieprijs van 65 dollar in een dergelijk oorlogsscenario noemt, heeft niet uitgerekend wat hiervan de economische gevolgen zijn. Volgens het IMF levert iedere zeven dollar stijging van de olieprijs gemiddeld een half procentpunt minder groei en een half procentpunt meer inflatie op in de industrielanden.

In het optimistische scenario van het IMF, waarin de industrielanden langs de afgrond van een recessie scheren, wordt uitgegaan van een gemiddelde olieprijs van 26 dollar in de rest van 1990 en van 21 dollar eind 1991.

2 Geen overtuigende begroting in VS DE NIEUWE AMERIKAANSE begroting overtuigt niemand. Steeds wisselende coalities van Democraten en Republikeinen verhinderen een besluit in de keuze tussen meer bezuinigen of meer belasten. Het Witte Huis geeft geen leiding; het economisch populisme wint snel aan invloed en veroorzaakt een politieke rebellie van de middenklasse tegen lage belastingen voor de rijke elite.

De eerstvolgende inschrijving op Amerikaans schatkistpapier om het begrotingstekort te financieren, loopt op een mislukking uit. De rente moet drastisch omhoog om beleggers aan te trekken. De Federal reserve board, het stelsel van Amerikaanse centrale banken, verhoogt de officiele rentetarieven om een koersval van de dollar te voorkomen. De obligatiemarkt zakt in elkaar (hogere rente betekent lagere obligatiekoersen), gevolgd door de aandelenmarkt.

De verhoogde rente smoort het laatste beetje groei. Als gevolg van de ingetreden recessie nemen de belastinginkomsten af en stijgen de overheidsuitgaven. Het Amerikaanse federale tekort in 1991 (geraamd op 256 miljard dollar) stijgt tot 600 miljard dollar.

3 Brazilie als wanbetaler DE ONDERHANDELINGEN tussen Brazilie en de particuliere banken lopen eind dit jaar vast. Brazilie (buitenlandse schuld 115 miljard dollar) volhardt in de opschorting van zijn rentebetalingen. Sinds zomer 1989 betaalt Brazilie al geen rente meer en de achterstand bedraagt inmiddels tegen de tien miljard dollar. Aan het einde van het kwartaal dwingt de Amerikaanse wetgeving enkele grote banken in New York om extra bedragen aan hun voorzieningen toe te voegen in verband met de Braziliaanse wanbetalingen.

Bovenop deze oude problemen met vorderingen op Latijns-Amerika komen nieuwe moeilijkheden met onroerend goed-leningen in de VS. Door de inzakkende kantoren- en huizenmarkt in New York, New England en Florida moeten de banken omvangrijke voorzieningen treffen. (Chase Manhattan en Chemical Bank hebben dit zojuist gedaan, met als gevolg een verlies in het derde kwartaal. Beide banken hebben hun dividend verlaagd. Bij Chase en Citicorp zijn inmiddels ontslagen aangekondigd). De Federal Deposit Insurance Corporation, een federale instelling die banktegoeden tot een maximum van 100.000 dollar garandeert, beschikt over weinig reserves. Als een aantal grote banken in problemen zou komen en de FDIC tot uitbetaling van gegarandeerde tegoeden moet overgaan, staat de Amerikaanse overheid een nieuwe financiele crisis te wachten, vergelijkbaar met de miljarden verslindende redding van de Savings en Loans, de spaarbanken.

4 Duitse eenwording duurder DE TREUHANDANSTALT, de Duitse overheidsdienst die verantwoordelijk is voor de privatisering van de 8.500 voormalige Volkseigene Betriebe in de ex-DDR, heeft meer geld nodig. Tot eind 1991 wordt uitgegaan van een bedrag van 35 miljard D-mark, tien miljard meer dan aanvankelijk voorzien. Maar nieuwe verrassingen bij de ontmanteling van het communistisch-industriele complex maken nog grotere bedragen nodig om fabrieken te sluiten en te herstructureren, terwijl de privatisering van een handvol levensvatbare bedrijven minder opbrengt dan was geraamd.

Het verzoek om extra geld voor de sanering van de DDR betekent een nog groter beroep op de Duitse kapitaalmarkt in 1991. De Duitse rente gaat verder omhoog en aangezien de D-mark het anker is van het Europese Monetaire Stelsel, stijgt in heel Europa de rente bij wijze van solidariteitsheffing voor de Duitse eenheid. De hogere rente remt de economie en de Duitse trekkracht is onvoldoende om te voorkomen dat de rest van Europa in een dal terecht komt.

5 Britse pond in vertrouwenscrisis HET BRITSE POND, oktober 1990 toegetreden tot het Europese Monetaire Stelsel, raakt in een vertrouwenscrisis. De inflatie blijft hardnekkig; de Britse vakbonden en werkgevers spreken loonstijgingen van tien procent af, het dubbele van het gemiddelde in de overige EMS-landen. Ze beseffen niet dat de uitweg voor het behoud van concurrentievermogen - devaluatie van het pond - is afgesloten na de toetreding van het pond tot het EMS.

Vlak na de parlementsverkiezingen (zomer 1991) geeft het ministerie van financien opdracht om de rente te verhogen ter verdediging van het pond. De recessie die afzwakte aan de vooravond van de verkiezingen, zwelt snel aan. Pas als de werkloosheid naar 11,5 procent is gestegen, komen de loonstijgingen onder druk te staan en neemt de looninflatie af. Ten koste van een zware recessie bereikt Groot-Brittannie tegen het midden van de jaren negentig het lage inflatieniveau van de landen op het Europese vasteland.

6 Onroerend- goedmarkt Japan stort in DE ONROEREND GOED-MARKT in Japan stort in. Nadat de effectenkoersen in 1990 al 45 procent in waarde zijn gedaald, komt een einde aan een van de grote speculatieve balonnen van de jaren tachtig, de astronomische stijging van huizen- en grondprijzen in Tokio. Japanse particulieren, institutionele beleggers en banken komen in liquiditeitsproblemen. Ze gaan over tot de verkoop van hun beleggingen, wat de financiele markten verder onder druk zet. Niet alleen in Tokio, ook in Londen en New York.

Japanse financiele instellingen, goed voor de dekking van een kwart tot een derde van het Amerikaanse begrotingstekort en de grootste partij op de Eurobond markt in Londen met een marktaandeel van 35 procent, trekken zich terug uit hun internationale activiteiten. Daarmee zijn de internationale, 24-uur draaiende financiele markten volledig ontregeld.

7 Handelssysteem geblokkeerd door protectionisme JAPANS NATIONALISME, gevoed door het 'Japan kraken' in Washington en Brussel, viert hoogtij. Het slaat over naar de slotronde van de GATT-onderhandelingen over handelsliberalisatie, de zogenoemde Uruguay-ronde. Deze onderhandelingen, die in december in Brussel tot een nieuw handelsakkoord moeten leiden, mislukken omdat de VS en de EG geen compromis kunnen bereiken op een cruciaal terrein, de vermindering van de landbouwsubsidies. De EG, Japan en de VS reageren met protectionisme en blokvorming. De groei van de wereldhandel, de motor van de wereldwijde economische expansie sinds de Tweede Wereldoorlog, komt abrupt tot stilstand.

De industrielanden zullen niet door al deze zeven plagen tegelijk getroffen worden. Maar het scala aan mogelijkheden voor ontsporingen is breed en dat vergroot de onzekerheid. Dit is ook het geval in Nederland. Hoewel de Nederlandse economie op de golf van de Duitse eenwording zowel dit jaar als volgend jaar behoorlijk zal blijven groeien, doen zich bij afzonderlijke bedrijven flinke tegenvallers voor. Niet alleen grote produktiebedrijven en dienstverlenende concerns kondigen maatregelen aan omdat hun winst onder druk staat, zelfs enkele ministeries hebben plannen voor afslankingen. Met banenverlies bij Philips, DAF, KLM en de ministeries van onderwijs en WVC begint Nederland de jaren negentig met een nieuwe economische saneringsronde.

Vergeleken met de malaise in Nederland in de jaren zeventig en begin jaren tachtig zijn er twee in het oog springende verschillen. Ten eerste wachten bedrijven - met uitzondering van Philips - niet met maatregelen, maar gaan ze snel over tot saneringen. Ten tweede is de maatschappelijke en politieke weerstand tegen ontslagen verdwenen.

In de Verenigde Staten spelen maatschappelijke overwegingen geen grote rol als het op bedrijfssaneringen aankomt. Daar dreigt een ander probleem, veroorzaakt door de enorme schuldenlast die het bedrijfsleven in de jaren tachtig heeft opgebouwd. De schulden van de overheid, van particulieren en van het bedrijfsleven bedragen ongeveer 2,5 keer het Amerikaanse bruto nationaal produkt. Een dergelijke schuldenquote heeft zich sinds de jaren dertig niet voorgedaan. In na-oorlogse recessies fluctueerde dit cijfer tussen de 1,4 en 1,7.

Veel bedrijven hebben in de roerige jaren tachtig activiteiten gefinancierd met zogenoemde junk bonds, hoogrentende obligaties. Inmiddels is Drexel Burnham, de bank die de junk bond markt beheerste, op last van de autoriteiten gesloten en zit Mike Milken, de goeroe van de junk bonds, in de gevangenis. Hun klanten zijn achtergebleven met de lasten. Steeds meer bedrijven onderhandelen met hun obligatiehouders over herstructurering van de financiering, wat er op neer komt dat de obligatiehouders met minder genoegen moeten nemen dan ze hadden verwacht. Op miljarden dollars aan junk bonds wordt helemaal niets afgelost.

Andere innovaties uit de financiele goocheldozen van de jaren tachtig waren obligaties waarop in de eerste jaren geen of vrijwel geen rente betaald hoefde te worden. Dit gaf de bedrijven tijd om zich te herstructureren. Maar nu de rentebetalingen op tafel moeten komen, stagneert de economie en bezwijken deze bedrijven onder hun financiele lasten.

In 1982 besloot Paul Volcker, de voorzitter van de Federal Reserve Board, om het harde monetair beleid dat sinds 1979 was gevoerd, te versoepelen. Hoge rente had de inflatie uit de Amerikaanse economie gewrongen, de Amerikaanse banken op de rand van de afgrond gebracht omdat hun clienten in Latijns Amerika niet meer aan hun financiele verplichtingen konden voldoen en de Amerikaanse economie in zijn diepste recessie sinds de jaren dertig doen belanden. De versoepeling van het monetaire beleid leidde tot een rentedaling die het begin vormde voor de economische expansie van de jaren tachtig.

In 1990 lijken de centrale banken van de Westerse industrielanden gekozen te hebben voor een voorzichtig beleid. Ze zijn eensgezind dat een opleving van de inflatie moet worden voorkomen met een strak monetair beleid. Maar tegelijkertijd lijkt sprake van coordinatie in de groep van zeven belangrijkste industrielanden om een wereldwijde recessie te voorkomen.

De G-7 kwam in september in Washington bijeen en pal daarna volgden enkele opmerkelijke maatregelen. In Japan kwam een pakket steunmaatregelen van het ministerie van financien voor de effectenbeurs, in de VS liet de Federal Reserve doorschemeren dat een geloofwaardig begrotingsakkoord met iets lagere rente beloond kon worden. De Bundesbank zette de regering in Bonn onder druk om de Duitse eenwording niet alleen via de kapitaalmarkt te financieren, maar ook door op andere begrotingsposten te bezuinigen en de belastingen te verhogen. De toetreding van het pond sterling tot het EMS maakte en verlaging van de Britse rente met een procentpunt mogelijk.

Zo blijft er licht flakkeren aan het einde van een lange, bochtige tunnel. Dat licht bestaat uit de matige inflatie aan het slot van de langste na-oorlogse periode van expansie. In de VS bevindt zelfs de rente zich niet op zijn hoogste niveau. De recessie in de VS wordt in 1990 dan ook niet afgedwongen door agressieve verkrapping van het monetaire beleid door de centrale bank, maar door uitputting van verzwakte financiele instellingen. In deze recessie moet de rekening worden vereffend van de financiele excessen uit de jaren tachtig, de uit de hand gelopen schulden van de Amerikaanse overheid, consumenten en bedrijfsleven.

In de VS doet een originele theorie over een lange conjunctuurgolf opgang. Sinds de depressie van de jaren dertig tot het begin van de jaren tachtig bracht iedere recessie in de industrielanden in de daarop volgende periode van groei hogere inflatie met zich mee. De centrale banken moesten de rentetarieven steeds hoger opschroeven om de inflatie te beteugelen.

Deze cyclus werd begin jaren tachtig doorbroken. Ondanks volledige werkgelegenheid, volledige capaciteitsbenutting en zelfs een derde oliecrisis is geen sprake van hollende inflatie zoals in de jaren zeventig. De komende recessie is niet de zoveelste veiligheidsklep die de oplopende inflatiedruk tijdelijk laat ontsnappen, maar de eerste recessie in een periode van niet-inflatoire groei. Het klinkt aantrekkelijk als geruststellende verklaring. En haast te mooi om waar te zijn.