Verzekeraars waren gewend 'prettig' zaken te doen

DEN HAAG, 17 okt. Het zal ook wel onwennigheid zijn geweest die de levensverzekeraars tot zulke harde kritiek bracht op de fiscale fractiespecialisten van CDA en PvdA. Zij zouden volgens voorzitter L. J. Beugelsdijk van de Nederlandse Vereniging van Levensverzekeraars (NVL) bezig zijn 'de pensioenvoorziening op te blazen'. De politici zouden in hun 'tomeloze regeldrift' met een 'maxikanon op een minimug' schieten.

Jarenlang konden de levensverzekeraars prettig zaken doen met het departement van Financien. De Tweede Kamer placht er zich niet veel mee te bemoeien. Zo ging het bijvoorbeeld drie jaar geleden nog. Financien wilde de reserves van de levensverzekeraars en pensioenfondsen fiscaal strenger aanpakken. Bovendien zouden aan lijfrente-overeenkomsten (en kapitaalverzekeringen) strengere voorwaarden worden gesteld: zij moesten werkelijk zijn bedoeld als oudedagsvoorziening.

Tegelijkertijd mochten lijfrentepremies tot een onbeperkt bedrag aftrekbaar worden. De maximumaftrek van 17.000 gulden kwam daarmee te vervallen. In de praktijk zou volgens de toenmalige staatssecretaris Koning een 'natuurlijk maximum' ontstaan. De levensverzekeraars leek dat helemaal geen slechte ruil: wat aan de ene kant werd afgenomen, kreeg men aan de andere kant deels weer terug. Het definitieve wetsontwerp 'Brede Herwaardering' werd vervolgens bij de Tweede Kamer ingediend.

Dat de Tweede Kamer zich deze keer niet wilde conformeren aan de onder het vorige kabinet tot stand gekomen onderlinge afspraken, heeft de levensverzekeraars onaangenaam verrast. 'Waarom zouden we er ons aan gebonden achten' ?, zegt CDA-fractiespecialist Th. Vreugdenhil. 'Je kunt met Financien wel allerlei soorten afspraken maken, maar wij zijn mede-wetgever.'

Vreugdenhil is nog steeds verbaasd over de kritiek die hij en zijn PvdA-collega W. Vermeend de afgelopen periode over zich heen hebben gekregen van vooral de NVL. De beide fiscale specialisten hebben vorig jaar al aan het begin van de schriftelijke gedachtenwisseling met de regering laten blijken dat het 'natuurlijk maximum' uit het wetsontwerp moest worden geschrapt. De gedachtengang achter het 'natuurlijk maximum' is dat belastingplichtigen zich rationeel gedragen: ze zullen niet meer (fiscaal aftrekbare) lijfrente-premie storten dan strikt nodig is voor een behoorlijk pensioen. Maar volgens Vreugdenhil en Vermeend zou onbeperkte lijfrente-aftrek tot 'oneigenlijk' gebruik leiden.

Hun bezwaren werden breed ondersteund in de fiscale vakpers. Fiscalist dr. N. Nobel rekende de Kamerleden voor hoe belastingplichtigen hun belastbaar inkomen met de voorgestelde regeling tot nihil konden reduceren. Hij herinnerde aan de historie van de koopsompolissen uit de jaren zeventig: banken blijken maar al te graag bereid het te storten bedrag te lenen. En voor vermogensbezitters is het natuurlijk al helemaal geen probleem. Voor hen valt zelfs een extra voordeel te behalen via de vermogensbelasting, omdat belastingplichtigen op grond van de 80-procentsregeling nooit meer dan 80 procent van hun inkomen aan inkomsten- en vermogensbelasting hoeven te betalen.

De regeling met het het 'natuurlijk maximum' vertoonde volgens de fiscale vakpers meer gebreken. Zo gold de verplichting de levensverzekering onder te brengen bij in Nederland gevestigde beroepsverzekeraars c.q. pensioenfondsen. Dit om te voorkomen dat de voorwaarden voor lijfrente-contracten werden overtreden. Het valt ernstig te betwijfelen of zo'n verplichting in het kader van de EG wel houdbaar is. Een zelfde bezwaar geldt het 'emigratie-hekwerk' dat rond de regeling was opgetrokken. Veel EG-landen belasten inkomsten uit levensverzekering minder zwaar dan Nederland, wat het voor belastingplichtigen met een lijfrente aantrekkelijk maakt na afloop van het contract naar zo'n land te emigreren. De oorspronkelijke regeling bepaalde daarom dat bij emigratie het door de premie-afdrachten genoten belastingvoordeel moest worden terugbetaald. Nobel meende zelfs dat de emigratie-bepaling in strijd is met de rechten van de mens. Vreugdenhil: 'Dit soort problemen krijg je natuurlijk als een land zowel een hoge belastingvrije premie-aftrek als een relatief hoge belasting op de uitgekeerde lijfrente kent.'

De nieuwe bewindslieden op Financien toonden zich niet ongevoelig voor de argumenten van Vreugdenhil en Vermeend. Zo kon vorige week een compromis tussen coalitiefracties en departement worden bereikt. Volgens de nota van wijziging van staatssecretaris Van Amelsvoort komt er aan basisaftrek van maximaal 10.000 gulden per belastingplichtige per jaar (bij gehuwden per echtpaar), waar de beide Kamerleden 6.000 gulden hadden voorgesteld. Voor degenen die aan de basisaftrek niet voldoende hebben om in combinatie met de AOW een adequate oudedagsuitkering op te bouwen, bijvoorbeeld als gevolg van een pensioenbreuk, is een extra aftrek mogelijk van 25 procent van het persoonlijk inkomen voorzover dat uitgaat boven de 50.000 gulden. Deze aftrek bedraagt maximaal 50.000 gulden, waarbij rekening wordt gehouden met andere oudedagsvoorzieningen. Als adequate oudedagsvoorziening geldt zeventig procent van het laatst verdiende inkomen.

Ten slotte komt er een mogelijkheid voor een aanvullende extra aftrek van tien procent van het persoonlijk inkomen met een maximum van 25.000 gulden voor hen die kunnen aantonen een achterstand te hebben wat betreft de opbouw van een adequate oudedagsvoorziening. Vermeend ziet in deze omkering van de bewijslast geen probleem. 'Ook nu al kijken de pensioenadviseurs met de client naar de pensioenrechten die zijn opgebouwd. Die aanspraken zijn bekend.' In de nieuwe regeling zijn volgens Vermeend de toch al niet houdbare stringente bepalingen over vestigingsplaats van de verzekeraar en emigratie van de begunstigde minder noodzakelijk. Het gaat immers om kleinere bedragen.

Volgens Vreugdenhil is nu een evenwichtige oplossing gevonden. 'Uitgangspunt is een goede oudedagsvoorziening voor iedereen. Wat we hebben gedaan is de doublures uit het systeem halen. Het is niet nodig dat iemand forse lijfrentepremies aftrekt, terwijl hij al een goede pensioenvoorziening opbouwt door het betalen van aftrekbare pensioenpremies. Dat zou een dubbele aftrek zijn.'

Vermeend spreekt in dit verband van een 'overheidssubsidie' aan de belastingplichtige. Tot nu werden jaarlijks zo'n 180.000 lijfrente-contracten afgesloten voor een totaal bedrag van twee miljard gulden. Deze aftrek kost de schatkist jaarlijks een miljard gulden. Volgens gegevens die in de top van de Belastingdienst circuleren komt dit bedrag voor meer dan de helft ten goede aan de hoogste inkomens. De nieuwe regeling kan de schatkist enkele honderden miljoenen guldens opleveren.

Vreugdenhil heeft aan het conflict met de levensverzekeraars een wat bittere smaak overgehouden. Het CDA-Kamerlid was ook ontstemd over een brief van de Nederlandse Christelijke Werkgeversorganisatie (NCW) aan CDA-fractievoorzitter Brinkman, waarin stond dat Vreugdenhil bezig was 'de PvdA links te passeren'. Hij heeft de kwestie inmiddels bijgelegd met NCW-directeur Weitenberg. Het conflict met de levensverzekeraars is wat Vreugenhil betreft nog niet voorbij. 'Een goede pensioenvoorziening voor iedereen is absoluut niet in geding. Men heeft bewust een verkeerde voorstelling van zaken gegeven, terwijl we juist al in een vroeg stadium hadden overlegd'. Het CDA-Kamerlid wenst daarom NVL-voorzitter Beugelsdijk voorlopig niet over het onderwerp te spreken. Een brief hierover zal de NVL vandaag bereiken.