Politie: positie allochtonen moet beter

AMSTERDAM, 17 okt. De komende jaren zal de bestrijding van de onveiligheid op straat veel meer een preventief dan een repressief karakter moeten krijgen. Maar de inzet van meer politiemensen om de burger zich weer veilig te laten voelen mag niet, zoals nu het geval is, ten koste gaan van de aanpak van de georganiseerde misdaad. Tot die conclusie komen de drie hoofdcommissarissen van politie van Amsterdam, Rotterdam en Den Haag.

Zij debatteerden gisteravond in de aula van de Universiteit van Amsterdam samen met de burgemeesters van Amsterdam, Rotterdam en Den Haag over de criminaliteit en de bestrijding daarvan in de grote steden. Hoofdcommissarissen en burgemeesters waren het er over eens dat straatmisdaad en inbraken voor een belangrijk deel worden bedreven door jonge migranten. Hoofdcommissaris Nordholt van Amsterdam zei het goed te vinden dat 'een taboe op vermeende discriminatie van allochtonen is doorbroken' en nu openlijk 'man en paard' genoemd kunnen worden, omdat daarmee ook de oorzaken beter kunnen worden bekeken. 'Maar als we het hebben over allochtonen moeten we niet vergeten dat veel van deze jongeren in een uitzichtloze situatie terecht gekomen zijn en daarom eerder de neiging hebben criminele daden te begaan. Die situatie moet met alle middelen worden verbeterd', aldus Nordholt.

Hoofdcommissaris Brand van Den Haag ging nog een stapje verder door te stellen dat bestrijding van deze vorm van straatmisdaad, die veelal te maken heeft met drugs- en gokverslaving, geen enkele zin heeft als er niets wordt gedaan aan de sociale achterstand van deze jongeren, die criminele daden plegen 'omdat ze niets te verliezen hebben'.

Alle deelnemers aan het debat vonden dat de nog immer toenemende georganiseerde misdaad in Nederland, die zich voornamelijk met drugssmokkel bezighoudt, met geheel nieuwe methodes moet worden bestreden. Maar dit mag niet ten koste gaan van het grootstedelijke politiestreven de buurten veiliger te maken. Een campagne daarvoor begint resultaten op te leveren.

Over de bestrijding van de georganiseerde misdaad zei burgemeester Van Thijn van Amsterdam: 'We weten precies hoe die georganiseerde misdaad in elkaar zit, maar de nog ongeorganiseerde overheid kan de georganiseerde misdaad niet bestrijden.'

Hoofdcommissaris Nordholt van Amsterdam was het eens met zijn Rotterdamse collega Hessing dat het jagen op kilo's cocaine of heroine misschien wel spectaculair is, maar dat het daar niet in eerste instantie om gaat. Het is volgens hem veel belangrijker er achter te komen waar de miljarden guldens blijven die omgaan in de georganiseerde misdaad. Dit soort zaken, vindt hij, kunnen niet meer afzonderlijk door grootstedelijke korpsen effectief worden aangepakt en het duurt hem te lang om te wachten op de landelijke reorganisatie van de politie.

Daarom overlegt Nordholt nu al regelmatig met zijn collega's in Utrecht, Rotterdam en Den Haag met de bedoeling binnen twee jaar de georganiseerde misdaad effectief te kunnen aanpakken. Daarvoor zijn meer politiemensen nodig, maar zonder dat kan, volgens Nordholt, toch al meer worden bereikt met een betere organisatie van de bestaande capaciteit aan mankracht en onderlinge samenwerking van de verschillende korpsen. Van een 'vangstbeperking', recentelijk opgelegd door het openbaar ministerie omdat de rechtbanken het werk dat de politie aanlevert niet goed meer aankunnen, wilde de Amsterdamse hoofdcommissaris niets meer horen.

Staatssecretaris Kosto van justitie, wel in de zaal aanwezig maar geen deelnemer aan het forum, vond het debat 'betrekkelijk eenzijdig', omdat het justitiele aspect onvoldoende aan de orde was gekomen. Hij benadrukte dat bij de regering de politieke wil en de financiele middelen aanwezig zijn om politie en justitie in staat te stellen de misdaad en de sociale oorzaken ervan beter te bestrijden.