Onderwijs wordt 'doordachte' organisatie; Omvang ministeriena reorganisatie nog onduidelijk

ROTTERDAM, 17 okt. Een kleiner departement lijkt hem wel waarschijnlijk, zei secretaris-generaal drs. M. Meijerink gisteren in een toelichting op de aanstaande reorganisatie van het ministerie van onderwijs.

Sterke groei ligt hoe dan ook niet voor de hand scholen, hogescholen en universiteiten gaan immers een deel van het werk van het departement overnemen. Maar de secretaris-generaal ontkende in alle toonaarden ook maar iets te weten over de precieze toekomstige omvang van het ministerie.

Het is nog maar de vraag of het aantal ambtenaren dat voor de minister van onderwijs werkt na de komende reorganisatie kleiner zal zijn. De afslankingsoperaties van de afgelopen tien jaar ten spijt, zijn het er in de jaren tachtig in elk geval niet minder geworden.

Op het ministerie in Zoetermeer daalde hun aantal van bijna 2.900 tot ruim 2.300, maar daar staat een sterke groei tegenover van de Groningse vestiging van het departement, de Informatiseringsbank, onder meer belast met de uitvoering van de wet op de studiefinanciering en de uitbetaling van de wachtgelden. Daar verdubbelde het aantal werknemers van 500 tot bijna 1.100. Het onderbrengen van bekostigingszaken in een aparte organisatie naast het departement zoals voorgesteld in het in mei verschenen rapport 'Ministerie op maat' zou wel eens hetzelfde effect kunnen hebben.

Het huidige reorganisatieplan schetst de hoofdlijnen voor de toekomstige organisatie: een ministerie dat is toegesneden op een afstandelijker relatie met het onderwijsveld en met de veranderingen die daar plaatshebben. 'Dat is een belangrijk oogmerk van de reorganisatie', onderstreepte Meijerink gisteren nog eens. Een doordachte organisatie moet het worden. Hoewel verkokering volgens de secretaris-generaal 'eigenlijk alleen met geweld valt uit te roeien', worden in de nieuwe organisatie volgens hem de muren tussen de departementale sectoren geslecht.

Zo worden de vijf directoraten-generaal vervangen door zeven 'velddirecties' die zeer zelfstandig moeten gaan opereren (op basis van een managementcontract met een 'bestuursraad') en die een takenpakket krijgen dat vrijwel overeenkomt met dat van de huidige directoraten-generaal. In een aantal gevallen worden bestaande directies samengevoegd (bijvoorbeeld basisonderwijs en speciaal onderwijs tot 'primair onderwijs'), elders worden onderdelen van de ene directie naar de andere overgeheveld.

Zo wordt aangekondigd dat de onderdelen van het directoraat-generaal voor het hoger onderwijs die zich bezig houden met het wetenschappelijk onderzoek aan universiteiten en onderzoekinstituten, zullen worden ondergebracht bij de velddirectie 'wetenschapsbeleid'. Voor de universiteiten en hogescholen wordt daarentegen aan twee afzonderlijke velddirecties gedacht.

Voor het hoger onderwijs kunnen dus interessante tijden aanbreken in het contact met het departement. Zeker als, zoals Ritzen wil, de weg naar fusies tussen universiteiten en hogescholen of onderdelen daarvan wordt opengesteld. Een hogeschool of universiteit krijgt dan te maken met twee onafhankelijke velddirecties die de instelling zullen proberen te sturen. Misschien kan de onderwijsinstelling de directies tegen elkaar uitspelen, maar waarschijnlijker is dat de instelling zich op een gegeven moment afsluit voor de verwarrende signalen uit Zoetermeer.

Voor een universiteit wordt het ook zonder zo'n fusie al moeilijk genoeg. Zij valt in de nieuwe structuur onder twee zelfstandige velddirecties: een voor 'wetenschappelijk onderwijs' en een voor 'onderzoek en wetenschapsbeleid'. Het kan natuurlijk zijn dat de minister onderwijs en onderzoek binnen de universiteit geheel wil scheiden, maar zo'n uitspraak heeft hij tot dusver alleen gedaan over de nieuwe onderzoekscholen en dat standpunt wordt niet gedeeld door de commissie die hem over die scholen adviseerde. In de nieuwe wet op het hoger onderwijs (hoger beroepsonderwijs plus wetenschappelijk onderwijs) is er evenmin sprake van.

De verdeeldheid wordt nog groter als, zoals een van de meer waarschijnlijke opties is, de drie velddirecties straks niet bij een portefeuillehouder in de bestuursraad worden ondergebracht maar bij twee. Dan zouden onderwijs en onderzoek ook in de top worden gescheiden.

Rond de jaarwisseling moet het takenplan voor de reorganisatie gereed zijn. Dan moet niet alleen blijken voor hoeveel mensen het departement in de toekomst nog werk heeft, ook zal duidelijk worden of het door Ritzen getekende en ingevulde organisatieschema nog geldt. Want dat viel tussen de regels door in Meijerinks toelichting wel te beluisteren: de discussie over de meest wenselijke organisatie van het ministerie is nog lang niet afgerond.

Vorige week meldden de ambtenarenbonden dat er misschien wel 500 gedwongen ontslagen zouden vallen bij de reorganisatie van het ministerie van onderwijs. Volgens secretaris-generaal Meijerink is het echter volstrekt onduidelijk waarop de bonden die mededeling baseren.