Kabinet trekt geld uit voor scholing jongeren

DEN HAAG, 17 okt. Het kabinet trekt de komende drie jaar dertig miljoen gulden per jaar uit om 10.000 jongeren onder de 27 jaar alsnog in staat te stellen een diploma op het niveau van het lager beroepsonderwijs of MAVO te halen of een opleiding te volgen tot aankomend vakman.

Het kabinet schrijft dit in een reactie op het advies van de commissie Onderwijs en Arbeidsmarkt, ook bekend als de commissie-Rauwenhoff, die vandaag naar de Tweede Kamer is gezonden.

De scholing van de overige werkzoekende 125.000 jongeren met een onvoldoende 'startkwalificatie' moet worden betaald door het bedrijfsleven, de arbeidsbureaus of de betrokkenen zelf. Daarvoor heeft de regering voorlopig geen geld.

Het beschikbare geld is afkomstig uit het budget voor de studiefinanciering, aldus minister Ritzen (onderwijs) in een toelichting op het standpunt van het kabinet. Het geld wordt gevonden door een bezuiniging op de aanvullende beurs voor studenten uit de lagere inkomensgroepen.

In zijn standpunt wijkt het kabinet op een aantal belangrijke punten af van de aanbevelingen van de commissie-Rauwenhoff. Volgens de commissie heeft de overheid de plicht ervoor te zorgen dat iedereen voldoende voor een baan wordt opgeleid. Het kabinet vindt dat de werkgevers verantwoordelijk zijn voor degenen die ouder zijn dan 27 jaar.

De overheid beperkt haar verantwoordelijkheid voor de opleiding tot een startkwalificatie op het niveau van 'aankomend vakman' tot jongeren tot 27 jaar. Het kabinet erkent bovendien dat het die primaire verantwoordelijkheid voorlopig maar ten dele waar kan maken. Het vindt dat bedrijfsleven en arbeidsbureaus voor de rest moeten zorgen.

Het kabinet ziet ook af van de door de commissie bepleite regionalisering van het onderwijs. Het vindt, anders dan de commissie, dat inhoud en minimum-eisen van het onderwijs landelijk moeten worden vastgesteld, en niet plaatselijk door scholen en werkgevers.

Het kabinet voelt voor periodieke verkenningen van een bedrijfstak door deskundigen. Uit deze peilingen kan het onderwijs afleiden welke eisen aan het beroep worden gesteld. Door visitatiecommissies kan vervolgens worden bezien of de scholen in het beroepsonderwijs hun onderwijs hebben aangepast en hoe het met de kwaliteit van het onderwijs is gesteld.

De combinatie van onderwijs en werk, de zogeheten dualisering van het onderwijs, zal krachtig worden aangemoedigd, zo schrijft het kabinet. Het wil daarmee beginnen in het (kort) middelbaar beroepsonderwijs. Maar het kabinet laat de eis van de commissie-Rauwenhoff los dat school en bedrijf de student daarvoor een 'leer-arbeidsovereenkomst' moeten aanbieden. Evenmin worden de bedrijven door het kabinet verplicht studenten te betalen voor de tijd die zij er werken, 'al ligt het in de rede dat als er produktieve arbeid wordt verricht deze wordt gehonoreerd'.

Niet bekend

Als de huidige belangstelling voor het beroepsonderwijs aanhoudt is aan beperking van de toelating niet te ontkomen, waarschuwde staatssecretaris Wallage in een toelichting op het regeringsstandpunt. Hij verklaarde dat dan degenen die de slechtste kansen op goed onderwijs hebben, voorrang zullen krijgen.