HET ZURE GEZICHT VAN NEDERLAND; Brabantse gemeente krijgtgeen grip op groeiende mesthoop

Het Oostbrabantse Gemert is op twee na de meest verzuurde gemeente van Nederland. Officieel mag er via de mest niet meer ammoniak in het milieu terechtkomen. Maar de veestapel neemt nog steeds toe en daarmee ook de mesthoop. Hoe kool en geit worden gespaard. Profiel van een mestgemeente.

Op een dag in maart 1987 sloeg wethouder H. G. Verkampen van Gemert met zijn vuist op tafel. Dat gaf een dreun waarover de inwoners van het Oostbrabantse dorp nu nog praten. Verkampen, CDA-er en zelf houder van scharrelvarkens, had meer dan genoeg van het drammerig verzet van de plaatselijke milieugroep tegen de uitbreiding van de Gemertse veestapel. Die uitbreiding ging door in weerwil van de groeiende mesthoop. Gemert was toen al een van de meest 'verzuurde' gemeenten van Nederland.

Sinds de confrontatie van gemeente en milieugroep is er wel zoiets als een mestbeleid van de grond gekomen. Meer ammoniak - afkomstig uit mest - in het milieu is taboe. Maar minder hoeft nu ook weer niet want eigenlijk wil het gemeentebestuur vooral kool en geit sparen. Het gemeentebelang en het boerenbelang lopen in Gemert sterk parallel. Of, zoals het progressieve raadslid mevrouw A. van Helvoirt zegt: 'alles wat de boeren doen wordt met de mantel der liefde bedekt, want je mag vooral niet aan hun boterham komen.' Volgens wethouder Verkampen is er geen sprake van onwil maar meer van onmacht: 'We doen wat we kunnen maar het is inderdaad niet veel.' Milieu-ambtenaar R. Oude Griep wijst erop dat Gemert juist wel iets aan de mestvervuiling probeert te doen. 'Vergeleken met andere gemeenten zijn wij heilig.'

Vooral in de zandgebieden in Oost- en Zuid-Nederland, waar de intensieve veehouderij is geconcentreerd, is het mestprobleem de afgelopen jaren uit de hand gelopen. Het milieu wordt ernstig aangetast zoals blijkt uit het provinciaal rapport 'Milieu in Beheer'. Gemert komt wat de ammoniakneerslag betreft na de buurgemeenten Boekel en Erp op de derde plaats in Nederland. Deze top-drie was in 1985 goed voor 6000 tot 6800 zuurequivalenten, de eenheden waarin de neerslag per hectare worden uitgedrukt. Daarvan kwam 65 procent uit de ammoniak die in de mest zit. In heel Noord-Brabant was de neerslag gemiddeld 3010 zuurequivalenten. Ammoniak uit mest is niet de enige veroorzaker van zure depositie, ook het verkeer (uitlaatgassen) en de industrie leveren een bijdrage.

Het landelijk beleid is erop gericht de zure neerslag in 2000 met zeventig procent terug te dringen tot 2400 equivalenten. In Gemert moet in dat jaar, wegens de extra vervuiling, een reductie met tachtig procent zijn bereikt. De landelijke politiek zit danig met de mestproblematiek in de maag maar wil vooralsnog niet denken over inkrimping van de nationale veestapel. Volgens de milieubeweging is dat juist de enige mogelijkheid.

Penetrant

Het dagelijks leven in Gemert - 17.500 inwoners - is doortrokken van de boerenbedrijvigheid. Dat geldt in bepaalde periodes ook voor atmosfeer die dan doordrongen is van soms een weeige, dan weer penetrante mestlucht. Van de 700 hinderwetplichtige bedrijven staan er 380 te boek als boerenbedrijf. Volgens de tellingen die het Centraal bureau voor de statistiek jaarlijks in mei uitvoert, waren in 1989 in Gemert 146.618 varkens. Dat waren er 44.465 meer dan in 1984 toen de Interimwet van kracht werd waarmee de toenmalige landbouwminister Braks verdere uitbreiding van de veestapel verbood. Deze wet is later vervangen door de Meststoffenwet die bepaalt hoeveel kilogram fosfaat (in de mest) per hectare op het land mag worden uitgereden. Wat teveel is geldt als mestoverschot. De boer moet die mest zien kwijt te raken bij een buurman of in de akkerbouwgebieden elders en straks wellicht in grootschalige mestfabrieken die van de poep korrels maken. Landelijk beloopt het mestoverschot veertien miljoen ton. Ooit is het Gemertse mestoverschot geschat op 200.000 ton, maar exacte cijfers zegt de gemeente niet te hebben.

Het aantal kippen, een andere diersoort waarvoor sinds de Interimwet van '84 een verbod op uitbreiding geldt, steeg in Gemert sinds 1984 met ruim 134.000 tot 1,3 miljoen onder meer doordat boeren overschakelden op de kippenfokkerij waarin ze meer perspectief zagen.

De Interimwet van Braks had weinig effect op de expansiedrift van de Gemertse boeren. De gemeentelijke hinderwetvergunning bood hun een legale sluipweg om de veestapel uit te breiden. Boeren maakten massaal gebruik van de mogelijkheid tot uitbreiding. Daarop hadden ze recht omdat ze de vergunning voor het ingaan van de Interimwet hadden aangevraagd. En het lijkt erop dat er nog altijd wat oude aanvragen liggen, want het aantal varkens en kippen, twee diersoorten waarop 'bevriezing' van toepassing is, nam tot en met afgelopen jaar nog altijd toe. Het was juist deze sluiproute die de plaatselijke milieugroep wilde blokkeren. Tegen elke nieuwe aanvrage van een hinderwetvergunning richtte de Stichting Milieugroep Gemert een ware bezwaarschriftenkanonnade. Die acties bekoelden de verhoudingen in het dorp aanzienlijk.

Waar wethouder Verkampen ('ons eigen Braks') zich vooral aan stoort is dat de milieugroep de veestapel wil inkrimpen. 'Daar ben ik principieel tegenstander van', zegt hij. 'Ik vind dat, wil je de boeren er toe aanzetten in het milieu te investeren, de economische eenheden zo sterk moeten blijven. Dan alleen zijn banken bereid tot financiering.'

Algen

Mevrouw G. Niessen die in het Gemertse buitengebied ecologisch groenten verbouwt, zag de eiken rond haar boerderij in tien jaar tijd ernstig in vitaliteit achteruitgaan. In het oppervlaktewater tieren de algen welig waardoor het leven in het water stikt. Mensen met aandoeningen aan de luchtwegen krijgen het Spaans benauwd als er wordt gegierd. 'Met de mond', zegt mevrouw Niessen, 'wordt er weliswaar van alles aan gedaan maar in de praktijk komt er van het milieubeleid weinig terecht. Er komen nog altijd varkens en kippen bij en ze beginnen met het fokken van nertsen, geiten en schapen.' Dat laatste is mogelijk doordat deze diersoorten tot nog toe niet onder de Meststoffenwet vallen.

De Noordbrabantse christelijke boerenbond (NCB), waarvan de oprichter pater Gerlacus van den Elsen in Gemert werd geboren, is in het dorp sterk vertegenwoordigd, via het CDA ook in de gemeenteraad. Nagenoeg alle boeren zijn lid van de NCB.

W. J. Delisse is voorzitter van de Gemertse NCB-afdeling. Hij houdt zestig melkkoeien en 3500 kippen. Doordat hij niet meer mag uitbreiden, zit hij met het probleem dat hij aan een van zijn twee zonen die met hem in een maatschap zitten, geen volwaardig bedrijf kan nalaten. De ene zoon, zegt hij, heeft weliswaar een redelijk belegde boterham aan de inkomsten van de melk, maar de andere zou pas echt volop boer zijn als het aantal kippen tot 9000 zou worden uitgebreid. Het wachten is op het (landelijke) verplaatsingsbesluit, zodat hij misschien ergens een quotum kippen kan kopen. Dat verplaatsingsbesluit wordt waarschijnlijk op 1 januari aanstaande ingevoerd. Het stelt boeren in staat een hoeveelheid dieren van een collega die er mee ophoudt, op te kopen, met dien verstande dat daarmee het totaal aantal dieren na de overneming met dertig procent moet zijn gereduceerd. Delisse zegt dat de spanningen in veel boerengezinnen groeien. 'Onder onze leden zitten mensen die zich geen raad meer weten. Er komen ook zoveel regels en wetten op je af.'

Erkenners

Coordinator H. van Liempd van de Milieugroep Gemert meent dat de boeren van 'ontkenners weliswaar erkenners' van de door hen veroorzaakte milieuproblemen zijn geworden , 'maar of dat ook winst betekent voor het milieu, is twijfelachtig. De mesthoop wordt steeds groter omdat er nog altijd dieren bijkomen. De vervuiling gaat dus gewoon door. We hebben een gemeentebestuur dat onvoldoende de bepalingen in de Hinderwet hanteert om de ammoniak-uitstoot te beteugelen.'

H. van Dijk was tot maart dit jaar lid van de gemeenteraad voor de PvdA. Hij beschikt over een omvangrijk mestdossier. Daaruit is hem een ding in ieder geval duidelijk geworden: 'Het ontbreekt te enen male aan controle. Het is een kwestie van politieke wil of je er meer personeel op zet.'

Sinds twee maanden is de milieudienst van de gemeente inderdaad uitgebreid met een extra kracht. Vier controleurs bezoeken nu de bedrijven, kijken of het aantal opgegeven dieren klopt met de hinderwetvergunning. Op die manier gaan ze na of de ammoniakuitstoot wel of niet toeneemt.

Tot nog toe bleef in Gemert systematische controle achterwege. Wethouder Verkampen geeft dat ook toe. 'We gingen er alleen op uit als er geklaagd werd, maar met ingang van volgend jaar zullen we honderd bedrijven per jaar echt bezoeken.'

Ondanks de goede voornemens blijft het grote probleem hoe de ammoniak-uitstoot precies gemeten moet worden. Het vaststellen ervan gebeurt nu aan de hand van een simpele rekensom: elk dier produceert een bepaalde hoeveelheid ammoniak per jaar dus de totale uitstoot wordt afgeleid van de omvang van de veestapel. Apparatuur om de werkelijke uitstoot te meten, ontbreekt. 'Dat zou te duur zijn', zegt milieu-ambtenaar R. Oude Griep, 'dat kost de gemeente wel 100.000 gulden.' De milieugroep verrichtte die metingen met behulp van opgevangen regenwater.

Statistieken

Wethouder Verkampen relativeert de beweerde expansiezucht van de veehouders. Hij wijst erop dat de officiele statistieken, zoals van het CBS, onbetrouwbaar zijn. Voor een deel gaat het om een papieren uitbreiding, beweert hij. Boeren vergroten hun stalcapaciteit tot het maximum om te voorkomen dat ze na drie jaar op een lager aantal dieren worden ingeschaald. Dat heeft te maken met de bepaling in de Hinderwet dat de vergunning wordt aangepast op het niveau dat gedurende een periode van drie jaar aanwezig was. Hoeveel dieren er werkelijk zijn is onduidelijk en toch wordt daarop, ook landelijk, het mestbeleid gebaseerd.

De wethouder probeerde vorig jaar op basis van de verkopen van alle veevoerderfabrieken in ons land zelf te berekenen of er nu meer of minder beesten worden gehouden. Sinds 1987, meent hij, is er steeds minder veevoer verkocht, namelijk van 17 miljoen ton in dat jaar tot 15,3 miljoen (geprognotiseerd) in 1990. Hij meent daaruit door extrapolatie te kunnen afleiden dat de varkensstapel met 4,4 procent is gedaald.

'De cijfers', zegt voormalig raadslid Van Dijk, 'kloppen inderdaad niet. Er zouden betrouwbaarder cijfers uitkomen als de Hinderwet zou worden gekoppeld aan de Meststoffenwet. Nu heb je de absurde situatie dat de gemeente een hinderwetvergunning voor uitbreiding kan verlenen, maar dat de Algemene inspectiedienst van landbouw, de AID, de boer vervolgens op de vingers kan tikken omdat er volgens de Meststoffenwet teveel mest bijkomt. AID en gemeente zouden met een koppeling van beide wetgevingen gaan experimenteren, maar daar is tot nog toe niks van terechtgekomen.'

Tot een jaar geleden was er bij de Gemertse rijkspolitie een man in dienst die bijna een dagtaak had aan het controleren van de milieuwetgeving. De betrokken wachtmeester werd beschouwd als een 'terrier'. Hij tikte boeren op de vingers als zij zich niet aan de voorschriften hielden. Officieel heet het dat de 'terrier' van zijn post is verwijderd omdat de politie andere prioriteiten heeft gesteld. De milieugroep zegt dat de man 'te lastig' werd bevonden. De wethouder houdt het op 'allerlei persoonlijke omstandigheden' waardoor de wachtmeester ander werk kreeg. Zijn opvolger F. Kamminga waarschuwt voor een heksenjacht op de boeren. 'In een jaar tijd hebben we niet meer dan twee a drie veehouders bekeurd. Dat zegt niks ten nadele van de intensiteit van onze controle, de boeren gedragen zich in het algemeen gewoon netjes.' De politie ziet onder andere toe op naleving van het mest-uitrijverbod tijdens de weekeinden en in de maanden dat er niet mag worden bemest.

De milieugroep is niet onder de indruk van de politiecontrole. Voorzitster W. Letschert van de milieugroep: 'Er wordt nog altijd gedumpt. Ik krijg telefoontjes dat boeren op hetzelfde stukje grond voor de derde keer stront uitrijden, meestal in het donker. De telefoontjes komen notabene van collega-boeren, die er last van hebben.'

Niettemin blijft wethouder Verkampen optimistisch over de vermindering van de ammoniak-uitstoot. Hij verwacht dat die in 1993 met de helft zal zijn teruggebracht. Dat zou onder andere moeten gebeuren door stallen die minder ammoniak laten ontsnappen, afgesloten mestbassins, zodenbemesting en mestinjectering in de bodem. Bij deze laatste techniek komt er minder ammoniak in de lucht. Verkampen: Ik hoor mensen wel zeggen dat het niet nodig is dat we zo achter het halen van onze milieudoelstelling aanjagen. Maar die discussie is geweest. Het is bittere noodzaak. Ook voor de landbouw, anders bestaat die over tien jaar niet eens meer.'