HET LUXE LEVEN VAN HULPVERLENENDE GLOBETROTTERS

Steeds meer hulpverleners komen tot de conclusie dat de jaren tachtig een verloren tijdperk zijn geweest voor de ontwikkelingslanden, dat dertig jaar economische en sociale hulp aan Afrika niets hebben opgeleverd en dat de ontwikkelingslanden er niet op vooruit zijn gegaan. Deze geloofscrisis komt nauwelijks als een verrassing. Verschillende rapporten hebben in de loop der jaren duidelijk gemaakt dat er het nodige aan de ontwikkelingshulp schort.

Ook oud-hulpverlener Graham Hancock vindt de huidige hulpverlening inefficient en verkwistend. Jaarlijks wordt meer dan 60 miljard dollar aan ontwikkelingshulp en aan directe noodhulp uitgegeven. Aan wereldwijde inzamelingsacties is doorgaans geen gebrek, maar de coordinatie van de hulp laat meestal te wensen over. Bij overstromingen in Soedan in augustus 1988 raakten meer dan een miljoen mensen dakloos; veertien dagen later waren er afgezien van een paar dekens van het Rode Kruis en twaalf zakken bloem nog altijd geen hulpgoederen gearriveerd. Koelhuizen en diepvriesinstallaties kwamen terecht op plaatsen zonder elektriciteits- en onderhoudsdiensten. Voedsel voor Kampuchea bleek zo oud te zijn dat zelfs dierentuinen het niet hadden willen aannemen. Van de 6 miljoen dollar aan donaties die het internationaal opgezette Honger Project in 1985 inzamelde is een belangrijk deel opgegaan aan overhead, voorlichting, telefoonkosten en andere vage posten.

Hancock richt zijn kritiek vooral op multilaterale instanties als de Verenigde Naties en de Wereldbank. Vrijwilligersorganisaties weten de overheadkosten over het algemeen redelijk binnen de perken te houden, maar bij intergouvernementele organisaties rijzen ze volgens de auteur de pan uit. VN-deskundigen die in ontwikkelingslanden werken verdienen minimaal 100.000 dollar per jaar, globetrotters in dienst van de Wereldbank zelfs nog meer. Een baantje bij de Verenigde Naties in New York betaalt beter dan een hoge functie bij de Amerikaanse overheid. De kosten van levensonderhoud (een appartement in Manhattan, onderwijs voor de kinderen) en van sommige vakanties worden vaak volledig vergoed. Het reisbudget van de Verenigde Naties bedraagt volgens Hancock zo'n 100 miljoen dollar per jaar, meer dan de jaarlijkse export van een aantal ontwikkelingslanden. De genereuze beloningen worden door de Verenigde Naties zelf te vuur en te zwaard verdedigd. Met pinda's lok je apen, geen topkader, zo moet een VN-functionaris ooit hebben geroepen.

Van de kennis van advieskantoren in de ontwikkelingslanden zelf wordt volgens Hancock nauwelijks gebruik gemaakt. De ontwikkelingsorganisaties doen liever een beroep op westerse experts. Die zouden hun kennis niet aan de ontwikkelingslanden willen overdragen omdat zij dan zelf brodeloos worden. Een aantal hunner levert ook nog eens slecht werk af. Aan Botswana werden miljoenen geschonken voor de financiering van schapenboerderijen en veehouderijen. De graslanden werden kaalgevreten en de economische voordelen waren nihil. Volgens de FAO, de VN-Voedsel en Landbouworganisatie, is al een miljard dollar uitgegeven aan dergelijke projecten, die maar voor enkele boeren verlichting hebben gebracht. In weer andere landen zijn dammen aangelegd voor het opwekken van elektriciteit - machtige symbolen van economische kracht en politiek aanzien - die de armoede niet hebben weggenomen en ziekten als rivierblindheid hebben veroorzaakt. Grote irrigatieprojecten lopen vast omdat kanalen doorbreken.

De Wereldbank stak miljoenen in een omstreden migratie-project in Brazilie, waar arme bevolkingsgroepen van de centrale en de zuidelijke provincies naar het vruchtbare Amazone-gebied werden gebracht. Nadat men daar enorme regenwouden had gekapt en de Indianen had verjaagt, bleek het land voor bebouwing totaal ongeschikt. De Wereldbank, die overigens toegeeft dat het project 'een menselijke en economische ramp van jewelste' is geworden, is inmiddels gestopt met het verstrekken van leningen op dit gebied.

Volgens Hancock zijn de mislukte migraties nog maar het topje van de ijsberg. Om in aanmerking te komen voor een IMF-overlevingskrediet moeten in financiele nood verkerende landen vaak verstrekkende maatregelen treffen om hun economische beleid te hervormen, wat meestal leidt tot devaluatie van de plaatselijk valuta, inkrimping van de overheidsuitgaven, loonsverlagingen en hogere belastingen. Daardoor is in Peru de werkloosheid gestegen en het aantal mensen dat aan ondervoeding lijdt sterk toegenomen. Ook Soedan moest zijn munteenheid devalueren en de brood- en benzineprijs verhogen, wat resulteerde in een staatsgreep. Zaire zette 7000 leraren op straat, maar het meer dan vijftig auto's tellende wagenpark van president Mobutu werd niet gesaneerd.

Tegenover het grote aantal mislukkingen staat volgens Hancock maar een gering aantal successen. Van een aantal landen mag de exportpositie dan verbeterd zijn, als twintig ontwikkelingslanden dezelfde produkten gaan exporteren leidt dat uiteindelijk tot prijsverlagingen en dalende exportopbrengsten.

In de ontwikkelingsplannen van de Verenigde Naties stond ooit dat alle rijke landen ten minste 0,7 procent van hun bruto nationaal produkt aan ontwikkelingshulp zouden moeten afstaan. Geeft men minder uit dan wordt dit vaak geinterpreteerd als politieke onwil. Daarmee is ontwikkelingshulp volgens Hancock een heilige koe geworden die niet geslacht mag worden, ook al houdt het 'Byzantijnse bureaucratien op de been en worden mens en milieu bedreigd'.

De venijnige toon van het boek mist zijn uitwerking niet, maar Hancock's betoog blijft te veel steken in een uitvoerige opsomming van mislukkingen en fouten. Nergens komt de auteur met concrete voorstellen en ideeen omtrent verbetering van de hulp. Kant-en-klare oplossingen zijn volgens Hancock 'even nutteloos als regendansen onder een helderblauwe lucht'.

Het is misschien waar dat de huidige hulpprogramma's weinig hoop bieden voor de toekomst, maar over wat er zou gebeuren als de geldstroom beperkt zou worden tot humanitaire hulp zwijgt Hancock gemakshalve. Ook gaat hij voorbij aan de sombere politieke en economische realiteit van de ontwikkelingslanden zelf. Veel landen hebben zo weinig voorzieningen dat zij eenvoudigweg niet in staat zijn om alle hulp goed te verwerken. Zwak georganiseerde overheden raken het overzicht over de planning al gauw kwijt. Men zal dus moeten accepteren dat ontwikkelingshulp de problemen in de Derde Wereld niet (altijd) oplost. Dat er beter gelet moet worden op de levensvatbaarheid van hulpprogramma's spreekt voor zich; in dat opzicht biedt het boek voldoende stof tot discussie.