Een kanaal te veel

In Hilversum schijnt iedereen er wakker van te liggen: 's avonds tot half negen kijken meer Nederlanders naar RTL-4 dan naar Nederland 1, 2 en 3 bij elkaar. Dat is alarmerend, want ons omroepbestel wil uiting geven aan de unieke gevoelens van groepsgewijs individualisme die de Nederlandse volksziel kenmerken. Als de meerderheid naar het commerciele pretnet kijkt, klopt er iets niet hetzij met de Nederlanders, hetzij met hun omroep.

Sinds gisteren heeft de Nederlandse regering een document in handen dat glashelder uitlegt hoe dat komt, en nog veel meer. De politiek wordt niet getrakteerd op een makkelijk recept, dat naar believen kan worden genegeerd of als alibi dient wanneer pijnlijke besluiten onafwendbaar zijn. De voorzitter van de PvdA-fractie in de Tweede Kamer, Th. Woltgens is op zijn wenken bediend: regering en parlement moeten zelf zien tot politieke keuzes te komen. Zij kunnen niet meer zeggen dat zij van niets wisten.

Premier Lubbers nam gisteren het stuk in ontvangst waar het allemaal in staat. Het heet Verbinding en Ontvlechting in de Communicatie. Die 'ontvlechting' slaat onder meer op de maatschappelijke ontzuiling, de tendens naar 'pluriformiteit zonder structuur'. Die heeft geleid tot de in tien jaar dramatisch gedaalde kijkdichtheid per zender, terwijl de Nederlander gemiddeld nog steeds 100 minuten per dag in de buurt van een werkende tv verkeert. Kortom, het drijfzand waarop het omroepbestel rust. De soms stormachtige vraag naar allerlei nieuwe electronische informatie- en babbeldiensten levert andere voorbeelden van ontvlechting op, maatschappelijk en technisch.

Het begrip 'verbinding' duidt op fusietendensen, maar ook op technologische en juridische ontwikkelingen die maken dat het klassieke onderscheid tussen omroep, kabel en telefoon achterhaald raakt. Dat heeft tot gevolg dat de instanties en regels die horen bij deze gescheiden systemen, een belemmering kunnen gaan vormen voor nieuwe ontwikkelingen.

Ontvlechting en verbinding vinden op allerlei terreinen tegelijk plaats; soms zijn het tegengestelde bewegingen die elkaar oproepen. Wat voor keuze-mogelijkheden dat allemaal oplevert wil het rapport duidelijk maken. Met bescherming van de communicatievrijheid als belangrijke doelstelling voor een democratische overheid.

H et rapport werd geschreven in opdracht van de ministers die te maken hebben met openbare electronische informatievoorziening, zoals die van onderwijs, WVC, economische zaken en verkeer en waterstaat. De voorzitter van de ministerraad trad bij aanbesteding en ontvangst van de studie op als symbool van de poging dit onderwerp boven de departementale stammenstrijd uit te hijsen. Met het oog daarop is het interessant dat is afgesproken dat de discussie niet zal worden dichtgemetseld door de publikatie van een 'regeringsstandpunt'.

De auteurs, de hoogleraren Arnbak, Van Cuilenburg en Dommering, hebben getracht hun studie zo veel mogelijk buiten het straatvoetbal van de omroeppolitiek te houden. Met hun deskundigheid op de terreinen van tele-informatietechniek, massacommunicatie, respectievelijk het informatierecht, hebben zij verbanden gelegd tussen technische, industriepolitieke, juridische en sociologische ontwikkelingen.

Het gaat in de studie om veel meer dan Nederland 1 tot en met 4. Alle media die de nieuwsgierige burger en het communicerende bedrijfsleven electronisch kunnen dienen, krijgen hun plaats. Omroep, microwave in plaats van kabel, hdtv, audiotex, electronisch betalen, hoogwaardige telefoondiensten, teletekst, 06-nummers, innovatie en democratie, prijsbeleid en privacy, het komt allemaal aan de beurt.

De schrijvers hebben zich er bij aanvaarding van hun taak van vergewist dat zij niet naar een politiek gevoelige datum toe hoefden te schrijven. Dat er een kabinetscrisis tussendoor zou komen, wist zelfs de minister-president waarschijnlijk niet toen de opdracht werd verstrekt. Achteraf is die vervroegde kabinetswisseling misschien wel gunstig: de formatie had anders al gauw een paar al te simpele omroep-happen uit het rapport genomen.

Toch geven de analyses en aanbevelingen ook op dat gebied aanknopingspunten om orde op zaken te stellen. Het beleid van de Nederlandse regering is volgens het (bij Otto Cramwinckel, Amsterdam, verschenen) rapport onvoldoende afgestemd op de Europese regelgeving en laat een gat groeien 'tussen economische, maatschappelijke en technologische ontwikkelingen en de wijze van toelating en organisatie van de informatievoorziening via de omroep'.

De rapporteurs schetsen drie scenario's: een dirigistisch ('loods'), een sterk op de vrije markt leunend ('vrije vaart') en een gemengd ('konvooi') model. Alle drie de varianten achten zij voor de omroep beter dan de huidige situatie omdat de publieke sector erin wordt geconcentreerd op twee tv-netten, met een verscherpte taakstelling, efficientere coordinatie van programmering en beperking van de financiele tekorten. Voor het derde tv-net zou een commercieel station naar een vergunning kunnen dingen.

In de meest staatsgestuurde variant ontstaat verrassend genoeg een enigszins Brits beeld, in het meest marktgerichte scenario een situatie die met het Franse systeem is te vergelijken. Het gemengde model, dat leidt tot een soort Duits bestel, sluit het beste aan op de bestaande verhoudingen. Daarin wordt overigens afgezien van het huidige getalsmatige toelatingscriterium, dat 'strijdig is met de ontvlechtingstendens in vraag en aanbod' en leidt tot een populariteitsrace die niets te maken heeft met het oorspronkelijke karakter van het publieke bestel.

D it rapport gaat over veel en ingewikkelde zaken, over draadjes en wetjes, maar het is vrij van ideologisch bepaalde wolligheden. Het biedt houvast voor rationele besluitvorming in een beschaafd en toch modern land. Ouderwets genoeg laten de eerste letters van de titelwoorden zich lezen als VOC. Dat is niet toevallig, schrijven de drie auteurs. Zij menen dat 'het tijdperk van de Verenigde Oostindische Compagnie, waarin de bestuurlijke en technologische veranderingsprocessen in de Nederlandse samenleving niet werden omzeild, zonder dat overigens de culturele identiteit overboord ging, in de huidige internationale dynamiek tot voorbeeld kan strekken'.