Discussie over de galg wekt politieke onrust in Turkije

ATHENE, 17 okt. 'De toestand in Turkije doet denken aan een vulkaan die elk ogenblik tot uitbarsting kan komen.' Dat zei de rechtse leider Suleyman Demirel vorige week, nadat er weer twee politieke moorden waren gepleegd, de vijftiende en zestiende dit jaar. De eerste kwam van rechts en gold een bekende voorvechtster van vrouwenemancipatie; de tweede, van links, was gericht tegen een voormalig chef van de geheime dienst.

De uitbarsting kwam, maar op een andere manier dan Demirel moet hebben bedoeld. Het afgelopen weekeinde kondigde minister van staat Mehmed Kececiler, de machtigste man binnen het huidige kabinet-Akbulut, aan dat zijn regering het parlement zou adviseren over te gaan tot bekrachtiging van de 287 doodvonnissen die zich daar in de loop der jaren hebben opgestapeld. In Turkije is voor elke executie de toestemming van het parlement vereist. 'We zijn met het voltrekken van die doodvonnissen opgehouden onder druk van de publieke opinie in het buitenland', zei de bewindsman afkeurend in zijn eigen 'heilige' stad Konya waar hij ooit de fundamentalistisch georienteerde burgemeester was.

Verkeerd begrepen

De uitlatingen leidden tot enorme beroering en Kececiler heeft gisteren gemeld dat zijn woorden 'verkeerd zijn begrepen'. Maar voor het lugubere kat-en-muis-spel met de ter dood veroordeelden, dat nu al zes jaar duurt, is het eind nog niet in zicht.

Tussen 1972 en 1980 zijn in Turkije geen doodvonnissen voltrokken. Na de militaire staatsgreep van 12 september 1980 werden vijfenvijftig mannen opgehangen, van wie zevenentwintig wegens politiek gemotiveerd geweld. Nadat in 1983 weer een civiel bewind was ingesteld, leek de galg buiten werking te zijn gesteld, maar toen op 15 augustus van het daarop volgende jaar de Koerdische PKK met haar guerilla begon, hield de toenmalige president en bedrijver van de staatsgreep, Kenan Evren een rede waarin hij zei dat het onaanvaardbaar was 'dat de staat terroristen levenslang bleef spijzigen'. Turgut Ozal, die toen premier was, begreep de wenk en liet nog twee doodvonnissen door zijn meerderheid in het parlement bekrachtigen. De laatste man die in oktober 1984 werd opgehangen, was niet eens direct van moord beschuldigd, maar van 'betrokkenheid' daarbij.

Vonnissen

Daarna zijn geen doodvonnissen meer uitgevoerd, mede ten gevolge van buitenlandse druk, maar ook onder invloed van binnenlandse pressiegroepen als het Verbond van Turkse Artsen. Uitgesproken werden ze nog wel, zowel door krijgsraden als door burgerlijke rechtbanken. De 287 dossiers die zich nu bij het parlement hebben opgehoopt betreffen 174 politiek gemotiveerde daden (157 van links, zeventien van rechts), 109 criminele; vier gelden Palestijnse terroristen die in 1985 in Ankara een moord pleegden op een Jordaanse diplomaat.

Oud-president Evren is inmiddels teruggekomen van zijn felle pleidooien voor de doodstraf 'waarin onze godsdienst voorziet', maar nu is het zijn opvolger Ozal die bij het weer opleven van politiek geweld van tijd tot tijd laat weten dat er eigenlijk weer eens enkelen zouden moeten worden opgeknoopt ter afschrikking. Na het uitbreken van de Golfcrisis in augustus liet hij zich ook smalend uit over 'het buitenland met zijn mensenrechten en zo' dat nu gelukkig begon te beseffen hoe belangrijk Turkije strategisch was.

En vlak voordat hij vorige week vertrok voor een tournee langs vijf staten in het Midden-Oosten zei hij, sprekend over het toenemende politieke geweld in zijn land: 'We moeten geen terroristen in leven laten'. Kececilers woorden kunnen worden opgevat als een uitvoering van de wens van de president. Minister van justitie Sungurlu gooide er nog een schepje bovenop door te betogen dat het parlement eigenlijk niets te zeggen zou moeten hebben over het voltrekken van doodvonnissen.

Beroering

De beroering bij de twee oppositiepartijen, de sociaal-democratische onder professor Inonu en de rechtse onder Demirel, was groot. Afgezien van het (on)menselijke aspect besefte men daar dat het ophangen van 287 personen, voor misdaden merendeels tien tot vijftien jaar geleden gepleegd, zou leiden tot een onmiddellijke en totale breuk niet alleen met de EG maar ook met de Raad van Europa, die de doodstraf voor al haar lidstaten afwijst. Bovendien werd de verwachting uitgesproken dat zoiets het nieuwe terrorisme alleen maar zou verhevigen. 'Er moet niet op gevangen maar op vrij rondlopende terroristen worden gejaagd', aldus hun boodschap.

In dat laatste verband leidde een andere maatregel van de regering tot meer instemming. In Istanbul, de stad waar de laatste jaren de meeste aanslagen zijn gepleegd, werd de chef van de politie, Ardali, eindelijk vervangen. Hij gold als verwoede fundamentalist en liet zich met een aantal collega's dit jaar tracteren op een pelgrimsreis naar Mekka (hoewel zo'n reis, als ze niet op eigen kosten wordt ondernomen, geen religieuze waarde heeft). Hij zou ook grote coulantie hebben betracht jegens zijn schoonzoon die vorige maand een bestorming van de bureaus van de krant Milliyet organiseerde nadat deze hem had beschuldigd van betrokkenheid bij mafiapraktijken waaraan voormalige ultra-rechtse groepen zich schuldig maken. Deze bieden zich de laatste tijd aan voor het met geweld innen van schulden, tegen betaling.