Concertgangers met speen kuchen niet

In het Amsterdamse Concertgebouw begon gisteren tijdens de herfstvakantie de serie Kinderconcerten aan haar negende seizoen, ditmaal gepresenteerd door violiste Isabelle van Keulen. Dat het publiek zich al van tevoren zo zichtbaar en hoorbaar verheugt op de dingen die komen gaan, maakt men in deze toch altijd wat fluisterrijke omgeving niet vaak mee.

De gestaag doormalende draaideur is onweerstaanbaar. De akoestiek van de glazen hal dient ogenblikkelijk getest te worden en ik zie ongelovige blikken bij de mededeling dat we hier eigenlijk gewoon op straat staan. Maar de wandeling naar boven over de statig grijze trap dempt de opwinding al, en eenmaal aangeland in het pluche en verguldsel van de Kleine Zaal mompelt men op ongeveer normaal concertgangersniveau. Om mij heen zie ik veel feestjurken, een enkel strohoedje en hier en daar een speen in de mond.

Daar marcheren de muzikanten al op, onder tromgeroffel. Ze zien er prachtig uit in rood, wit en zwart en ze hebben er duidelijk zin in. Een uur lang rijgen ze in een bonte afwisseling fragmenten aaneen: een marsje uit Strawinsky's Histoire du soldat, een prelude van Sjostakowitsj, een vleugje Weense zoetigheid van Fritz Kreisler, een stukje jazz a la Benny Goodman en het 'piece de resistance', een deel uit Mozarts Kegelstatttrio voor klarinet, altviool en piano. Isabelle van Keulen vertelt dat Mozart de viool en de klarinet ruzie en grapjes laat maken. Zelfs al zou je het niet kunnen horen, dan zou je het kunnen zien, vooral aan George Pieterson die met zijn hele lijf muziek staat te maken. Met zijn klarinet staat hij verhalen te vertellen.

De laatste twintig minuten zijn met de Nieuwe Slagwerkgroep Amsterdam de spectaculairste. Driekwart van het podium is in bezit genomen door trommels in verschillende soorten en maten en twee enorme marimba's, waar mannen op spelen met in iedere hand twee stokken. Er wordt flink uitgepakt met een oerwoudscene lichten uit waarin het struweel ritselt, de apen gillen en een onmiskenbare muskiet wordt doodgeslagen. Voor mij grijpt een jongetje in opgewonden herkenning zijn moeders arm wanneer hij uit de jungle plotseling Vader Jacob hoort opstijgen.

'Niet ritselen met dit programma a.u.b.' staat er onder aan het uitgereikte stencil. Het lijkt een overbodig verzoek, overgewaaid uit de grote mensenconcertzaal, waar over het algemeen aanzienlijk meer geritsel en gekuch is te horen dan in deze zaal voor kleinen. Het publiek is nieuwsgierig en alert, wipt op de marsmuziek, krimpt sissend in elkaar bij de expres-valse viool van Van Keulen en roept 'oei' bij een enorme slagwerkexplosie. Alleen Von Weber en Mozart achter elkaar was te veel gevraagd.

Zo'n willige zaal is ongetwijfeld het gevolg van een groep musici, die met zichtbaar plezier hun instrument en het publiek bespelen. Het heeft iets van een een muzikale familie tussen de schuifdeuren bij Oma's vijfenzeventigste verjaardag, maar dan op hoog niveau. Wanneer de laatste opzwepende trom heeft geklonken mogen de kinderen even op het podium om hier en daar zelf eens een mep op te geven. De finale die dan ontstaat is hypermodern en overdovend: geen componist zou hem bedacht kunnen hebben.