ART BLAKEY 1919-1990; Drummer met stuwkracht

Met de gisteren in New York overleden Art Blakey is een van de populairste musici van het jazztoneel verdwenen. Dat fietsende slagersjongens eind jaren '50 zijn Blues March floten zal wel een apocrief verhaal zijn, maar zeker is wel dat, uitgezonderd misschien Gene Krupa van de Benny Goodman Band uit de jaren '30, geen enkele jazzdrummer ook buiten de scene ooit zo bekend geworden is als Art Blakey.

Blakey was een slagwerker met een zeldzame stuwkracht, een propagandist van de 'bebop'-muziek en een alert ontdekker van talent. Deze drie kwaliteiten kwamen in 1955 bij elkaar toen hij samen met pianist Horace Silver The Jazz Messengers oprichtte, een groepsnaam waarmee hij sindsdien altijd zou worden geassocieerd. Behalve Blues March bereikte ook Moanin' de status van semi-hit, terwijl met optredens in modieuze Franse speelfilms als Des femmes disparaisses en Les liaisons dangereuses de faam van de Messengers verder werd verspreid. Art Blakey was die wild-enthousiaste negerdrummer die altijd met zijn mond open speelde, dat wist iedereen zo omstreeks 1960.

Eer het zover was had de in 1919 in Pittsburgh geboren Blakey zijn leergeld ruimschoots betaald. Na engagementen met pianiste Mary Lou Williams en het orkest van Fletcher Henderson speelde hij van 1944-1947 in het orkest van Billy Eckstine. In deze band kwam hij in contact met de zogenaamde 'bebop', een stijl die hij sindsdien altijd trouw gebleven is. Hij werd de favoriete slagwerker van vele nieuwlichters, met name van pianist Thelonious Monk, wiens percussieve stijl Blakey prachtig aanvulde. Befaamd en veel geimiteerd werden zijn rolls, klinkend als een hagelbui op een golfplaten dak, zijn rimshots, slagen op de rand en de zijkant van de trommel, en het gebruik van zijn ellebogen om de toonhoogte van een trommelvel te varieren.

Naast de prachtige opnamen met Monk, vooral te vinden op de labels Prestige en Blue Note, zorgde Blakey voor zijn Messengers-tijd nog voor een ander historisch document: A Night at Birdland, waarop hij te horen is met het veel-beweende trompet-genie Clifford Brown. Het vuurwerk op Split Kick en Quicksilver werd zelden meer geevenaard.

Dat Blakey met goede trompettisten speelde was sindsdien een regel, zo niet een erezaak, ook in zijn Messengers. Kenny Dorham, Lee Morgan, Freddie Hubbard en begin jaren '80 Wynton Marsalis, de laatste inmiddels hoog te paard bij CBS, zowel in de jazz- als in de klassieke sector. Ook in de keuze van zijn andere bandleden had Blakey een goede hand, men denke bij voorbeeld aan Johnny Griffin, Benny Golson, Wayne Shorter, Keith Jarritt en Woody Shaw.

Dat Blakey al die jaren gewoon is doorgegaan, de ene editie Messengers na de andere, had verschillende redenen. Verslaafdheid aan het podium speelde zeker een rol, en ook de zorg voor zijn talrijke nageslacht woog zonder twijfel zwaar. Toch was de belangrijkste drijfveer misschien wel die, welke hij in 1987, in de coulissen van het North Sea Festival, formuleerde voor de camera's van de NOS-televisie. 'Mij hoor je niet kankeren op de jongeren, ze nemen het roer toch van je over, dus kun je ze net zo goed op weg helpen'.

In oktober 1988 speelde Blakey met zijn jongste Messengers in het Amsterdamse Tuschinski, in juli 1989 ontving hij een Bird-award op het North Sea Festival en dit jaar was hij er weer. Art Blakey werd wel 71 jaar en gaandeweg bijna doof, maar oud is hij nooit geweest.