1 Ander

We hebben niet op het post-modernisme hoeven te wachten of op weer een theorie over het einde van dit-of-dat voor er aan de waardenschaal van het hogere en het lagere, het essentiele en het bijkomstige, het oude en het nieuwe werd getornd.

De strijkplank van de nivellering en de mixer van de mengelmoes waren al langer werkzaam. Het nieuwe rijk van Babel was klaar voordat de theoretici het ontdekten.

Al tientallen jaren floreerde aan de universiteiten de studie van de populaire literatuur of Trivialliteratur, zo u wilt die begon met het kweken van een gerechtvaardigde belangstelling voor wat het 'gewone volk' in vroeger eeuwen las en produceerde (een domein dat tot dan schromelijk onderbelicht was gebleven), maar die er steeds meer op uitliep dat men botweg verklaarde dat de Trivialliteratur veel nobeler en levensechter was dan de 'officiele' literaire canon.

De 'hoge' literatuur was ineens een elitaire aangelegenheid geworden, gemanipuleerd door de machtigen van weleer en bedoeld om de zwakken te manipuleren.

In de poezie begon het ermee dat men schoorvoetend toegaf dat het minder hoogdravende vers en de lichte muze ook recht van bestaan hadden, maar uiteindelijk bleek er zich een harde kern lezers of would-be lezers te hebben ontwikkeld die er zonder meer van overtuigd was dat Driek van Wissen als dichter meer voorstelde dan Leopold en dat Nico Scheepmaker een knapper versificateur was dan Lucebert. Wat Nico Scheepmaker daar zelf van zou vinden deed er niet toe.

De zo simpele erkenning dat het ons niet past neer te kijken op het amusement voor het volk en op een rondborstig sinterklaasrijm ontaardde in leerstelligheid en laat-maar-waaien.

De leerstelligheid van het bevlogen, klef-linkse anti-elitarisme en het laat-maar-waaien van de modieuze intellectueel met zijn gevoel voor camp. Omdat die twee elkaar zo innig hadden gevonden zat de zaak een tijdlang muurvast. Zondagsdichters en zondagsschilders waren welkom in buurthuis en salon.

Het Hogere, met een hoofdletter, was in diskrediet geraakt. Ook wat godsdienst, seksualiteit en politiek betrof hadden zich vergelijkbare ontwikkelingen voorgedaan. Men begon met de bewering dat het ene net zo goed was als het andere, en op het laatst wist niemand beter of het lagere was interessanter dan het hogere.

De sekten trokken meer volk dan de kerk, het leek ziekelijker een monogaam stelletje met een kinderwagen te zijn dan een sadistische drol-fetisjist en in de politiek... Nu ja, ik heb nu even geen zin in de politiek.

Het was allemaal zo mooi begonnen. En het had zeker ook nut, die ontmythologisering van het Hogere. De democratie leek ermee gediend, de vrijheid, de gelijkheid en de broederschap.

Iedereen kon dichten, iedereen bezat het ware geloof, seks was er voor allen en te allen tijde.

Ik heb zelf, op mijn bescheiden terrein, een beetje aan die ontmythologisering meegewerkt. Het begon toen ik in 1968, bij mijn debuut als dichter, luid van de daken riep dat ik de regels Ziezo, de dag zit er weer op, bekroond door snert met worst als de meest onsterfelijke versregels uit de Nederlandse literatuur beschouwde en daarna werd het alleen maar erger.

Hoewel, ook weer niet al te lang. En met mate. Het moment lijkt nu echter gekomen dat iedereen, zelfs de fanatiekelingen en losbollen uit de glorietijd, druk bezig is zich af te vragen of we met de dooreenhutseling van alle waarden niet te ver zijn gegaan.

(wordt vervolgd)