Twee Hongaarse musea tonen middeleeuws-Nederlandse werken in Utrecht; Verleidelijke versierkunst van Vlamingen

Aan het kolossale 'Heldenplein' in het hart van Boedapest ligt het neo-klassieke Museum van Schone Kunsten. Na het beklimmen van de hoge stenen trappen biedt de gaanderij toegang tot hoge ouderwetse museumzalen, waar zomaar 'murenlang' werken El Greco, Velazquez, Tintoretto en Veronese te vinden zijn. Rembrandt, Vermeer, Jan van Goyen en Rubens: ook hen kom je tegen.

Uit dit voorname museum, opgericht ter gelegenheid van het duizendjarig bestaan van Hongarije en geopend door Keizer Frans Jozef in 1906, heeft het Catharijneconvent tientallen middeleeuwse Nederlandse stukken in bruikleen gekregen. De Spaanse en Italiaanse kunstwerken mogen de kern vormen van de meer dan 100.000 stukken tellende Hongaarse collectie, de middeleeuwse Nederlanden zijn toch met niet minder dan vijfhonderd werken in Boedapest vertegenwoordigd.

De andere bruikleengever op de Utrechtse tentoonstelling is het Christelijk Museum in Esztergom aan de Donau, zetel van de aartsbisschop en een van de oudste steden van Hongarije. Beide musea danken hun bezit vooral aan nalatenschappen en schenkingen. In de 18de en 19de eeuw kregen gefortuneerde Hongaren, door de dubbelmonarchie aan Oostenrijk verbonden, de smaak van het verzamelen te pakken. De schenking van het magnatengeslacht Eszterhazy vormt bijvoorbeeld de basis van het museum in Boedapest. Na de Tweede Wereldoorlog kon er nog wel worden aangekocht, maar de huidige schamele budgetten sluiten aankopen van vroege schilderkunst vrijwel uit. De Hongaarse staat heeft andere zorgen.

Hoewel Nederland en Hongarije nu bijzondere culturele betrekkingen onderhouden, dateren de contacten tussen de twee Hongaarse musea en het Catharijneconvent al uit 1867. In Keulen kwam toen de Ramboux-collectie van Italiaanse primitieven ter veiling, waar de voorlopers van de huidige drie musea hebben toegeslagen. Wetenschappelijk onderzoek naar deze in Keulen verworven werken bracht de musea nader tot elkaar.

Kwetsbaar

De gevarieerde tentoonstelling in Utrecht is een unicum. Er is geen enkel museum dat met graagte zijn kwetsbare middeleeuwse panelen op reis stuurt. De Hongaren hebben dat toch gedaan. De conditie van sommige favoriete stukken liet dat echter niet toe.

Zo ligt daar in de vitrine De Man van Smarten van Hans Memling, niet groter dan een pocketboek. Christus huilt vele tranen, zijn hoofd is bedekt met bloed en hij wijst de kijker op de gemene steekwond in zijn zijde. Doordat er een stenen lijst om de lijdensfiguur werd geschilderd, turen we in een denkbeeldig nisje. Een dergelijk devotiepaneel moest de middeleeuwse toeschouwer aanzetten tot meditatie.

Behalve 'de man van smarten' waren 'de geboorte van Christus' en 'de aanbidding der koningen' geliefde thema's in de 15de en 16de eeuw. Een anonieme Antwerpse schilder plaatste de drie koningen, gehuld in oogstrelend brokaat en goudborduursel, in een vroeg-renaissancistische architectuur. Bovenop een gordijn kijkt een uiltje toe en ver weg, in de feeerieke achtergrond, waden paarden en kamelen door een rivier. Juist de 'aanbidding', met die mysterieuze Moorse vorst, de heilige familie, de aangeboden cadeaux en de dieren die hen in de stal gezelschap houden, bood de schilder alle gelegenheid om eens flink uit te pakken.

Dat men in de Antwerpen en omstreken het weergeven van stoffen en ornamenten zo veel beter verstond dan in de Noordelijke Nederlanden, blijkt ook uit andere stukken, zoals het in stralende tinten neergezette Gastmaal bij Simon de Farizeeer, vervaardigd door de Brusselse 'Meester van de Magdalena-legende'. Dezelfde anonieme meester portretteerde Maria van Hongarije. Zij trouwde in 1520 Lodewijk II, koning van Hongarije, die zes jaar later tijdens de oorlog met de Turken zou sneuvelen. Een oorlog die meteen een eind maakte aan het machtige Hongaarse rijk. Maria's broer Karel V stelde haar aan als landvoogdes der Nederlanden. Een intelligente en energieke vrouw, die contact onderhield met Erasmus en Luther. Haar portret laat een verdrietige, in zichzelf gekeerde jonge weduwe zien, gehuld in de guimpe, een weduwensluier, die zij tot haar dood zou dragen.

Het is vooral de gedetailleerde beeldtaal, de guimpe bijvoorbeeld, die deze middeleeuwse werken zo interessant maakt. Gebaren zijn zelden inhoudsloos, sieraden hebben een symbolische betekenis. Een paar munten, afgebeeld in de bovenhoek, onthullen de aanwezigheid van Judas op het paneel. Tekstbordjes op de tentoonstelling dirigeren het oog van de kijker verder, naar Pilatus bijvoorbeeld, de lafaard die vanaf de rand van het paneel stiekem toeziet hoe Christus wordt gegeseld.

In de specialistische catalogus stellen de Hongaarse conservatoren herkomst en iconografie van elk werk grondig aan de orde. Liever had ik wat meer gelezen over die Nederlandse schilders die in de 15de eeuw al naar Hongarije trokken, over het hofleven daar, over de kerkbouw. Wat weten we eigenlijk af van de Hongaarse vorsten, die zoals onlangs in de bibliotheek van Boedapest te zien was, de kostbaarste manuscripten onder hun bezittingen telden.

Beelden

De meeste houten en albasten beelden in Utrecht dateren uit de 14de tot de 17de eeuw maar blijken pas veel later in de Hongaarse musea terecht te zijn gekomen. De heiligen sierden de altaren, de kerkelijke triomfbalken of de particuliere huiskamers. Vaak werden ze door hun anonieme makers beschilderd. Sporen van verf en verguldsel verschuilen zich in kapsels en gewaden. Meer nog dan de panelen moeten juist de plastische madonna's en apostelbeelden de vrome burger hebben aangesproken.

De selectie varieert van de levensgrote 15de-eeuwse figuren van de Nederrijnse Meester Tilmann tot de 17de-eeuwse miniscule albasten reliefs, gemaakt door een onbekende 'cleynsteker' in Mechelen. De sculpturen zijn in de catalogus onderverdeeld naar diverse scholen. De verschillen tussen de Brabantse, Maaslandse en Antwerpse scholen, verschillen in gebarentaal, plooival en versieringen, laten zich op het eerste gezicht nauwelijks herkennen. Zo decoreerde de Maaslandse beeldhouwers de nek en borst van hun madonna's met inlegwerk, waartoe kuiltjes in het hout werden aangebracht. De Antwerpenaren 'signeerden' met een centimeter groot, gebeiteld handje.

Mooier dan de pontificale heiligenbeelden zijn de twintig centimeter hoge, albasten madonna's uit Brugge. Lieflijke kleinoden, waarvan gezichten en kleding zijn afgeleid van de panelen van Jan van Eyck. Opnieuw tonen de Antwerpenaren zich meesters in een verleidelijke versierkunst. Het sprekendste voorbeeld is een veertig centimeter hoog, 16de-eeuws relief met drie oudere heren, ooit bijfiguren van een voorstelling. Twee van hen zijn in een driftige discussie verwikkeld, de derde keert zich rap van hen af; elders wacht een dringende afspraak. Zij dragen zwarte kousen met gouden motieven. Op hun hoeden en wijde mantels prijken dezelfde elegante bloemenranken. Vier eeuwen lang is het authentieke verguldsel, het zachtroze van hun krachtige koppen en het zwart van hun kragen ongemoeid gelaten. Dit ene beeld van die drie wereldse heren maakt alleen al een bezoek aan de Utrechtse tentoonstelling de moeite waard.