Raad v.d. Kunst: minder rompslomp bij veel subsidies

DEN HAAG, 16 okt. De Raad voor de Kunst wil de beslissing over de toekenning van projectsubsidies aan kunstenaars en instellingen vereenvoudigen en versnellen. Het adviseren daarover moet dan ook worden gedelegeerd aan nog nader te bepalen kunstinstellingen, fondsen en lagere overheden. De Raad zegt dit in een vandaag uitgebracht advies aan minister d'Ancona (WVC), die om een verbetering van de toewijzing had gevraagd.

Volgens de Raad voor de Kunst moet de bureaucratie, waarbij een groot aantal deskundigen wordt ingeschakeld, worden teruggedrongen. Ook moet de directe invloed van de kunstwereld worden vergroot, zo zegt de Raad.

Bij de toekenning van incidentele subsidies moet er een grotere afstand van het ministerie van WVC en de Raad voor de Kunst worden geschapen. De besteding van een relatief klein gedeelte van de totale rijkskunstbegroting van vierhonderd miljoen gulden vergt nu te veel aandacht van ministerie en Raad, aldus het advies. Het aantal aanvragen voor incidentele subsidies is de laatste twintig jaar gestegen van 225 tot 1700 per jaar. Ze moeten meestal meer dan een jaar van tevoren worden ingediend en een beslissing laat vaak meer dan een half jaar op zich wachten, waarbij het geen uitzondering is dat de te subsidieren gebeurtenis al achter de rug is.

De Raad voor de Kunst verklaart zich tegenstander van de door minister d'Ancona in een interview met NRC Handelsblad geopperde gedachte om voor een aantal gebieden een enkel iemand (de 'Rijkskunstmeester') de beslissingen daarover te laten nemen. De Raad voor de Kunst vindt zo'n oplossing 'autocratisch' en vreest bij zo'n constructie een monopolie. De Tweede Kamer sprak zich al eerder uit tegen dit idee van de minister.

Volgens de Raad voor de Kunst is het nog niet mogelijk om op alle gebieden van kunst de adviezen over incidentele subsidies te delegeren. Zo is het beleid op het gebied van bouwkunst en vormgeving nog te onduidelijk. En bij de film is het beschikbare geld zo miniem dat de Raad voor de Kunst vindt dat zijzelf de adviezen over de besteding daarvan wel kan blijven uitbrengen.