Notoire hennen gehinderd door P. C. Hooft

Beheerst Harry Mulisch zijn grammatica niet meer of houdt hij er, zoals meer schrijvers, een eigen, vrije grammatica op na? Kent hij het verschil tussen de persoonlijke voornaamwoorden hen en hun niet meer of haalt hij de derde en vierde naamvallen opzettelijk door elkaar?

In zijn 'Stenen bruidsbed' schrijft Mulisch afwisselend ze waar men hen had verwacht en hen waar het hun had kunnen zijn. 'Toen hij ze langzaam van achteren naderde, langs de muur... ' Even verder: 'Alsof hij hem niet zag, drentelde Corinth hun voorbij.' Weer verder: 'Hijzelf stond achter ze, losjes door de heupen gezakt.' Ze? Hun? Maakte Mulisch fouten? Nee, al heb ik de indruk dat hij nu, dertig jaar later, misschien wat vaker hen gebruikt.

Vroeger was het verschil tussen hen en hun slechts een klankverschil, als tussen schelp en schulp. Van Maerlant gebruikte de woorden al door elkaar. Het was, zoals bekend, P. C. Hooft die voorstelde hun in het meervoud voor het meewerkend voorwerp te gebruiken en hen voor het lijdend voorwerp. De discussie over de vraag in hoeverre wij ons daaraan hebben te houden, laaide kort geleden weer op en het onderwerp lijkt nu wel voldoende uitgekauwd. Het lijkt erop dat verstandige mensen het er nu wel zo ongeveer over eens zijn wat mag en niet mag, maar ik ben van die misvatting genezen. Ik denk ook dat de zaak wat anders ligt dan de meesten denken.

Om te beginnen zijn er heel veel mensen die, welke keuze ze ook maken, geen idee hebben van wat juist is. Hoeveel mensen zijn er niet die denken dat ze door ze te gebruiken zondigen? Ik heb het gevoel dat hun aantal nu alweer groter is dan een halve eeuw geleden. Ik herinner mij nog uit mijn kinderjaren dat hen-zeggen toen al chic was, maar het klonk in de spreektaal voor velen geforceerd en irriterend. Sterker nog: in mijn HBS-tijd, dat was tijdens de Tweede Wereldoorlog, waren er leraren Nederlands die het woordje hen in een opstel fout rekenden als je het iemand in de mond gaf die sprak. Nu hebben veel mensen zoiets van: ik weet dat het eigenlijk anders moet, maar wat geeft het in de spreektaal?

D e pendant hiervan is het verschijnsel dat veel principiele gebruikers van hen vaak iets uitstralen van misplaatste superioriteit. Daarbij zijn twee dingen sterk onderbelicht. Het eerste is dat hen in de spreektaal nog steeds in opmars is, ook al merken velen dat niet en ook al gebruikt een meerderheid nog ze en hun. Het tweede is dat er een subtiel onderscheid gemaakt moet worden tussen de opmars van het woord hen als zodanig en het in de spreektaal hanteren van het onderscheid tussen hen en hun zoals Hooft zich dat voorstelde.

De simpele goed-of-fout-probleemstelling raakt dus maar een kant van de zaak. Sinds iemand mij corrigeerde toen ik hun gebruikte en daaraan een enigszins onvriendelijke uitleg toevoegde, ben ik erop gaan letten. Ik heb een aantal mensen uit mijn omgeving op de man af gevraagd of het correct is te zeggen: ik heb hun gezien en anderen voorzichtig gepolst over hun mening ter zake. De manier waarop de meesten reageerden was onthullend. Ik geef een paar karakteristieke voorbeelden, waarbij ik heb geprobeerd te voorkomen dat een van mijn slachtoffers zich persoonlijk herkent. En als dat wel zo mocht zijn, lig ik daar niet wakker van: hij of zij heeft het er dan zelf naar gemaakt.

Een van mijn slachtoffers heeft er begrip voor dat sommige domme mensen de hierboven gegeven zin uitspreken. Er zijn per slot van rekening ook mensen die hullie zeggen, zegt hij geirriteerd. De man heeft geen speciale belangstelling voor taal, maar anderen die wel die belangstelling hebben, reageren even hautain: natuurlijk moet je hen zeggen; je zegt toch ook niet hun hebben? Ze constateren, stilzwijgend of hardop, dat ik toch dommer ben dan zij hebben gedacht. Een ander verhelderend antwoord is representatief voor de meest recente tendens: je zegt ik heb hen gezien, ik heb het hen gegeven; een kind kan toch horen dat hun in die voorbeelden niet klinkt?

E en artistieke, intelligente jongeman die ik zelf beschouw als de minst bevooroordeelde van mijn gesprekspartners vertelt dat hen bij zijn verhuizing naar de Randstad in zijn taalgebruik is doorgedrongen; hij ziet dat als een correctie op het alternatief waarmee hij is opgegroeid. Op de grammaticale nuances in de praktijk heeft hij nooit bewust gelet want, veronderstelt hij, er is uiteindelijk alleen maar sprake van een klankverandering.

Vervolgens heb ik enkele gerenommeerde getuigen-deskundigen opgeroepen. De eerste is een bejaard schrijver. Hij wil het onderscheid tussen hen en hun uitdrukkelijk beperken tot de schrijftaal. De tweede getuige is een oude heer die het wel erg ingewikkeld maakt. Hij bazelt wat over hun dat van oorsprong possessief is; men heeft het possessivum te hulp geroepen om onderscheid te maken tussen derde en vierde naamval. Dat hun in de derde naamval en hen in de vierde door velen is geaccepteerd, vindt hij geweldig. Het liefst zou hij de regels voor onze taal naar Latijns model aanvullen en uitbreiden.

De volgende getuigen zijn wat jonger. Nummer drie zegt dat hen stilistisch de voorkeur van velen heeft, maar in de gesproken taal overheerst hun en daar is niets tegen. De vierde getuige gaat nog een flinke stap verder. Hij meent dat je zelfs voor de geschreven taal het onderscheid niet kunt handhaven. In de spreektaal komt het nauwelijks meer voor en in de schrijftaal wordt het soms nog gehandhaafd omdat men zich de oude schoolregeltjes herinnert. Het beste voorschrift is: gewoon ze gebruiken, tenzij het om teksten gaat als Voor hen die vielen. Dit laatste is mij uit het hart gegrepen.

Notoire hennen zullen zich erover verbazen dat de eerste getuige de heer P. C. Hooft was. Zijn voorstel om hen en hun voor verschillende naamvallen te reserveren, was volstrekt kunstmatig en betrof uitdrukkelijk de schrijftaal; het zou volgens hem in de veel vrijere spreektaal niet passen. Hij heeft gelijk: men kan niet eisen dat men zonder nadenken zegt: ik heb hen begroet en hun een hand gegeven. De tweede was Bilderdijk die voorlas uit zijn Nederlandsche Spraakkunst van 1826. Men zou hem als een van de godfathers kunnen beschouwen van degenen voor wie de schrijftaal de echte taal is, die dan als model moet dienen voor het gesproken Nederlands. De derde getuige was de Algemene Nederlandse Spraakkunst, in de wandeling ANS genoemd, en de vierde was de door de Staatsuitgeverij gepubliceerde Schrijfwijzer. Hun opinie vinden we ook in de gerenommeerde leerboeken, zoals de grammatica van Rijpma en Schuringa en die van Van den Toorn. De laatste vindt dat hen, hun en ze gewoon door elkaar mogen worden gebruikt. In een leerboek voor toekomstige onderwijzers uit 1934, getiteld Enige belangrijke verschijnselen uit het leven der Nederlandsche Taal, lezen we dat het onderscheid tussen hen en hun in de algemeen beschaafde spreektaal niet voorkomt; zo eenvoudig is dat.

H et superioriteitsgevoel van sommige hennen die menen dat zij hun taal moeten beschermen tegen de minder beschaafde hunnen, vindt dus geen enkele steun bij de taalkundigen. Ik geloof overigens niet dat hen-zeggers die denken dat wat zij van hun deftige ouders hebben geleerd correct Nederlands is, in hun kinderjaren spontaan 'Ik heb hen gezien!' riepen als Sinterklaas en Zwarte Piet waren aangekomen. Verder denk ik dat het een vergissing is te veronderstellen dat hen in de spreektaal weinig wordt gebruikt, laat staan dat het zal verdwijnen.

Ik heb het gevoel dat het gebruik van het woord hen in opmars is en het op den duur gaat winnen. Daarbij spelen de geluidproducerende media een belangrijke rol. Veel radio- en televisiesprekers hebben een duidelijke voorkeur voor hen; misschien is er wel een dienstvoorschrift dat tot die voorkeur dwingt. En ook in dit wereldje heersen de bekende misverstanden. Een omroeper moest eens voor de televisie een verklaring voorlezen van de vertegenwoordiger van de een of andere groepering. Daarin werd hun naar zijn smaak verkeerd gebruikt en hij kon toen niet nalaten daarover een schimpscheut weg te geven.

Het is storend dat zo veel taalgebruikers hun eigen taal als de juiste beschouwen en dat er onvoldoende wederzijds respect is tussen de groepen die een verschillende keuze maken. Dat geldt overigens niet alleen voor deze keuze, maar veel algemener, voor iedere keuze tussen verschillende mogelijkheden die er binnen het kader van een correct taalgebruik zijn. Het gevolg daarvan is dat we spoken zien: voor mij is de verhenning een verarming omdat hen zo lelijk klinkt en voor sommige pedante hennen is mijn keus een bedreiging voor de taal. Een hen is duizend hunnen te erg, zou Vondel zeggen.

M aar er is meer. Iedereen mag natuur lijk proberen het door Hooft voor de schrijftaal ingevoerde onderscheid in de spreektaal toe te passen. Het lukt ze alleen niet. Wie er een gewoonte van maakt erop te letten, zal gauw ontdekken dat taalgebruikers die pretenderen dat onderscheid toe te passen in werkelijkheid vrijwel nooit of helemaal nooit hun in de derde naamval gebruiken. Als hen het met de steun van Hilversum wint, dan zal het hun uiteindelijk in beide naamvallen verdringen en als de strijd gestreden is, is het subtiele onderscheid van Hooft niet verwezenlijkt, maar juist verdwenen.

Er is dan per saldo alleen maar sprake van een klankverandering: de artistieke jongeman in mijn gezelschap, die op het eerste gezicht misschien het antwoord gaf dat het minst voor de hand lag, observeerde het best wat er eigenlijk gaande is. Onze kleinkinderen zullen zich over dit probleem niet meer druk maken. Zij zullen zich overigens evenmin vervelen als wij, want ze zullen zonder twijfel nieuwe spoken oproepen.