Nobelprijs economie naar drie hoogleraren in VS

ROTTERDAM, 16 okt. De Nobelprijs voor de economie is vanmorgen toegekend aan drie Amerikaanse hoogleraren die worden beschouwd als de grondleggers van de moderne financiele theorie. Harry Markowitz, Merton Miller en William Sharpe hebben in de jaren vijftig en zestig de basis gelegd voor theorieen over beleggingen en bedrijfsfinancieringen. Alle drie behoren tot de kwantitatieve school in de economie.

Harry Markowitz, hoogleraar aan de New York City universiteit, publiceerde een artikel in maart 1952, dat beschouwd wordt als de basis voor de zogenoemde moderne portefeuille theorie. Op grond van deze theorie wordt het risico van beleggingen gespreid. Markowitz toonde als eerste aan dat het risico op een beleggingsportefeuille kan worden gespreid door de beleggingen te verdelen over aandelen met verschillende karakteristieken. Hierbij wordt een afweging gemaakt tussen rendement en risico van verschillende soorten aandelen.

In 1964 ontwikkelde William Sharpe, verbonden aan de Universiteit van Stanford, een model dat de theorieen van Markowitz nader uitwerkte en praktische toepassing hiervan mogelijk maakte. Dit zogenoemde Capital Asset Pricing Model maakte het mogelijk om met kwantitatieve analyses de samenstelling van een aandelenportefeuille zo goed mogelijk te spreiden.

Merton Miller van de Universiteit van Chicago publiceerde in 1961 een artikel samen met zijn collega Franco Modigliani die al eerder de Nobelprijs economie ontving over de manier waarop bedrijven bepalen welk deel van de winst als dividend wordt uitgekeerd aan de aandeelhouders. Miller en Modigliani worden beschouwd als de grondleggers van de moderne theorie over financiering van het bedrijfsleven.

Alle drie leggen ze in hun modellen de nadruk op theoretische verbanden en gaan ze uit van een ideale werkelijkheid. Met psychologische factoren of vertekeningen die optreden door bijvoorbeeld beurskosten wordt in hun modellen geen rekening gehouden.

Prof. Eduard Bomhoff, hoogleraar monetaire economie aan de Erasmus universiteit, spreekt van 'baanbrekend werk' van Markowitz, Miller en Sharpe. Volgens hem is de afgelopen tien jaar van twee kanten kritiek uitgeoefend op hun modellen. De ene kritiek is dat financiele markten niet alleen op fundamentele gronden reageren, maar ook worden beinvloed door psychologische factoren en sentimenten van de markt.

De andere vorm van kritiek bestaat uit een verfijning aangebracht door de economen Roll en Ross. Zij hebben aangetoond dat de koers van aandelen niet alleen vergeleken moet worden met de algemene koersontwikkeling van een beurs, maar dat ook andere factoren, zoals inflatie, rente en wisselkoersen in een analyse moeten worden betrokken.